dinsdag 16 oktober 2007

Maaike doet zich voor als makelaar (maar is gespeend van enig verkooptalent)


Vandaag hadden wij kijkers voor ons huurappartement (want we gaan naar een ander huurappartement). Een moeder en haar dochter kwamen langs. Joram drukte zijn snor (in het Nederlands: zorgde dat hij een andere belangrijke afspraak had) en Maaike was de spreekwoordelijke sigaar. Zij mocht tourguide spelen in haar eigen huis.

Maaike: “Dit is de woonkamer...”
Mevrouw: “Die is behoorlijk groot!”
(Maaike denkt: jahaa, nou ben je onder de indruk, he?)
Meisje: “Ja, groot hoor”
(Maaike straalt. Maaike denkt: Ik voel me net een man die zijn enorme spierballen heeft laten zien. You know you want it, baby.)
Maaike: “En dan lopen we door naar de keuken...”
Meisje: “Wauw...”
Mevrouw: “Indrukwekkend!”
(Maaike denkt: Kat in bakkie. Ik moet makelaar worden)
Mevrouw: “Wat is dat?”
Maaike: “Wat?”
Mevrouw: “Dat ding in dat kastje?”
Maaike: “Welk kastje?”
Mevrouw: “Waar je nou al vier minuten tegenaan leunt?”
Maaike: “Oh, dát.” (Maaike probeerde die vraag te vermijden door het kastje geen aandacht te geven, door er nonchalant tegenaan te leunen. Omgekeerde psychologie. Missie mislukt.)
Maaike (wordt rood): “Eh, dat is de verwarming, of nee de geiser. Of nee, de elektrische geiser. De...cv?”
Mevrouw: “Ik heb er ook geen verstand van, hoor.”
Maaike: “Nou ja, iets dat zorgt dat de verwarming het doet. Lopen we door naar de gang...”
Mevrouw: “Die is iets smaller?”
Meisje: “Inderdaad...”
Maaike: “Ja, daarom heet het ook een gang, die zijn meestal smaller dan kamers.”
(Maaike denkt: Dat kwam er wel heel lullig uit.)
Maaike: “Dit is de bijkeuken...”
(Maaike denkt: Yep, dames, we hebben een bijkeuken! Nou? Willen jullie het?)
Meisje: “Hmmm...”
Mevrouw: “Jeetje, hier moet wel nog wat aan gedaan worden...”
Maaike: “Eh... daar hebben wij nog geen tijd voor gemaakt, eh... gehad. Ja, drukke baan allebei, je weet hoe dat gaat.”
Mevrouw: “Nou?”
Maaike: “Nou ja, hard werken enzo... Dat je weinig tijd hebt... om... de bijkeuken een likje verf te geven...”
(Maaike denkt: Het klinkt wel heel erg als bullshit nu. Ander onderwerp, ander onderwerp!)
Maaike: “En het is een monumentaal pand, dus we mogen niet zomaar gaan verven, dat moet worden gedaan...”
(Maaike denkt: Blij dat ik me dat op het aller-, allerlaatste moment bedenk.)
Maaike: “Op naar de slaapkamer...”
Mevrouw (naar meisje): “Die is wel kleiner. Vergeleken met jouw slaapkamer...”
(Maaike denkt: Jezus, zo klein is-ie toch ook niet?)
Maaike (met lach als boer met kiespijn): “Zo klein is-ie niet, toch?”
Meisje: “Nou, in vergelijking met mijn slaapkamer is-ie inderdaad niet enorm groot.”
Maaike: “Er staan nu natuurlijk ook spullen in, dan lijkt hij kleiner. Een bed...”
(Maaike denkt: Duh. Wat lul ik nou?)
Meisje: “Ik weet het niet...”
Maaike: “Zeg, hoe zijn jullie hier, met de auto? Poeh, het is alweer halfnegen. We krijgen zo nog andere kijkers... Druk hoor...”
(Maaike denkt: zouden ze zien dat ik uit mijn nek lul? Overtuigend blijven kijken, overtuigend blijven kijken.)
Maaike: “Ja, ja... ’t loopt storm...”
Mevrouw: “Nou, dan moeten we maar eens gaan.”
Maaike (toch maar even die open deur intrappen): “Dus jullie nemen hem niet?”
Mevrouw: “We denken er toch nog maar even over na.”
Maaike: “Weet je wat, denk er nog even over na. Dat zeg ik altijd, als je iets niet zeker weet, moet je er nog even over nadenken. Okee, doei!”
(Maaike laat zich zakken op een stoel. En zet de televisie aan.)
Maaike: “Tssssss.... Ik vind je wel mooi hoor, huisje... We vinden nog wel een passende prins of prinses voor jou, kasteeltje van me. Niet onzeker worden van zo’n incidentje, Niet iedereen heeft dezelfde smaak. Kom, maken we er een gezellige avond van, Ik zet lekker de verwarming aan en dan kruipen we tegen elkaar aan. Overdrachtelijk dan, want jij bent een huis en jij kan helemaal niet kruipen. Maar je begrijpt wat ik bedoel. Jij bent lief en mooi, wat ze ook zeggen.”

zondag 16 september 2007

Het kattenbakconflict



J: “Waarom moet ik altijd de kattenbak doen?”
M: “Omdat jij dat veel beter kunt dan ik.”
J: “Echt niet. Wat een onzin. Alsof je daar een bepaald talent voor moet hebben.”
M: “Jij doet het eh… heel elegant.”
J: “Wat een gelul zeg. Wat is de echte reden, Maaike? Dat jij altijd net ‘weg bent’ als de kattenbak gedaan moet worden?”
M: “Ik haat de kattenbak doen.”
J: “Ik toch ook…”
M: “Vast niet zoveel als ik.”
J: “Jij wilde katten.”
M: “Ja, maar ik wist toch niet dat ze zoveel poepten.”
J: “Je ouders hadden toch ook een kat?”
M: “Ja, maar dat was een buitenkat. Die poepte alleen in de tuin van de buren.”
(Stilte…)
M: “Kunnen die katten niet hun eigen bak verschonen? Het zou een mooie boel zijn als ik ook zo met mijn toilet om zou gaan. Dat ik gewoon niet zou doortrekken en maar zou wachten tot iemand zo vriendelijk zou zijn mijn poep op te ruimen.”
J: “Maaike, het zijn KATTEN.”
M: “So? Dat is geen excuus.”
J: “Katten hebben geen handjes.”
M: “Ja, en dus?”
J: “Dus kunnen ze geen kattenbak optillen, geen vuilniszak openhouden en geen nieuw gruis in de bak storten.”
M: “Grmpf.”
J: “Maaike, doe ‘s even normaal.”
M: “Grmpf.”
J: “Wil je dat we de katten wegdoen?”
M: “Neeeeee! De katten zijn lieve vriendjes om mee te knuffelen!”
J: “Geen probleem hoor, we kunnen ze zo naar het asiel brengen.”
M: “Neeeee! Doe niet zo eng!”
J: “Dan hoeven we nooit meer kattenbakken te verschonen, geen duur kattenvoer meer te kopen voor de blaasafwijking van Poema, Pluizerd niet meer rustig te benaderen omdat ze doof is en anders anderhalve meter de lucht inspringt van schrik…”
M: “Neeeeeee!”
J: “Wacht, ik ga de auto wel even halen.”
M: “Joram, doe niet zo eh-eh-eng!!!! Ik moet zo huilen!”
J: “Tja, als jij het zo verschrikkelijk vreselijk haat om de kattenbak te verschonen en ik ook…”
M: “Nee, nee, zo erg is het niet. Poema, kom eens hier, geef mama eens een knuffel. Jij bent een lieve poes, hoor. Je poept wel veel, maar je bent wel heel lief. Je poep hef je op met je liefheid.”
J: “Maar ja, die kattenbak he, Poema. Dat kost je de kop, jongen.”
M: “Nee, Jor, ik ga wel, ik doe het wel.”
(M staat op en gaat kattenbak verschonen)
M(tegen katten): “Kom maar beestjes, ik offer me met alle liefde op hoor, ik hou zoooo veel van jullie!”
J (tegen zichzelf): “Gnagnagna… Wat zal ik vanmiddag eens verzinnen om haar de afwas te laten doen?”

donderdag 30 augustus 2007

Kent u dat gevoel?


Het is een uitspraak van Dominee Gremdaat, de onvolprezen fictieve tv-dominee. Welnu, ik ken het gevoel. Gisteren had ik het. Vrij ernstig zelfs. Ik had enorm slecht geslapen. Woelerdewoel. Dat was al een paar nachten zo, gewoon, zonder aanleiding. Shit happens. En dus was ik moe. En als ik moe ben, dan haal ik soms dingen door elkaar. Ik stond bijvoorbeeld in de supermarkt en rekende een zak rucolasla af met een pinpas uit mijn portemonnee. Omdat ik ook nog andere boodschappen had, wilde ik daarna de rucola in de plastic zak van de Hoogvliet gooien. Maar wat doe ik? In volle overtuiging werp ik mijn portemonnee in de plastic tas en probeer ik een zak rucola in mijn broekzak te prutten. Mwoa, niet zo’n goed idee. Vandaag weer zo’n voorbeeld (weer een slechte nacht. Rotkatten met hun rotmauwtjes). Ik wilde de canderel-verpakking van de Sanoma-koffiezet apparaat weggooien nadat ik de zoetjes in mijn koffie had geschud. Uiteraard gooi ik in plaats daarvan, vol enthousiasme, mijn koffie in de prullenbak en sta ik met verbaasde blik naar mijn hand met de zoetjes-verpakking te staren. Dan nog een laatste voorbeeld. Vanochtend wist ik niet of ik nu mijn groene of zwarte schoenen moest aantrekken en dus deed ik er van allebei één aan, om te vergelijken voor de spiegel. Goddank was ik bij zinnen genoeg mij voor het verlaten van het huis te realiseren dat ik nog steeds met twee verschillende schoenen rondliep. Oja, had ik al gezegd dat ik er bij de voordeur ook achterkwam dat ik nog verwilderd ochtendhaar had en dat ook nog moest fixen? Om maar te zwijgen over het feit dat mijn groene top en mijn paarse vest bij nader inzien (want aangekleed in het donker) toch wel vloekten. En oja, de katten, waarom mauwden die zo? Shit, vergeten eten te geven. En god, waar is je huissleutel als je de deur wil dichtdoen en waar is verdomme mijn busabonnement? Gevonden. Waar is mijn tas dan opeens? Kortom, chaos door moeheid. Oh, dominee Gremdaat, dominee Gremdaat, ik ken het gevoel zo goed! Soms voel ik me net ‘Waldo’ uit de bekende ‘Waar is Waldo’-stripjes. Da’s een plaatje waarin je dan een jongen met een brilletje moet zoeken. Alleen is Waldo in mijn geval dan mijn common sense, oftewel mijn logisch denkvermogen. Ik troost me maar met de gedachte dat een zaterdagochtend uitslapen me weer helemaal oppept. Zodat ik door de bomen Waldo weer kan zien. Lang leve lange weekenduitslaapochtenden, kort leve het Waldo-gevoel.

donderdag 16 augustus 2007

Haute Bederfelijk


Iedereen heeft wel eens zo’n week waarin-ie zich in de dagen vergist. Dit is voor mij zo’n week.
Ik loop al deze hele week standaard één dag voor op de rest van Nederland.
Vrijdag komt er eetbezoek, en gezien ’t feit dat dit een culinair door mij best hooggeacht persoon is (ik kies bijvoorbeeld mijn wijnen voornamelijk op ’t gezellige kleurrijke label, zij smijt met weelderige termen als ‘medoc’, ‘sulfiet’ en ‘ziel van de fles’. Nou ja, ofzo.), dus ik denk: je fais du haute cuisine. Of in ieder geval, een poging daartoe.
Goed, ik wil dus indruk maken met mijn kookhoogstandjes, dan wel blunders. Ik ben er helemaal klaar voor om madam te overbluffen mijn keukenvindingrijkheid (zie kombucha-blog). Dus ik, met een in mijn hersenen opgeslagen boodschappenlijstje, mij naar de plaatselijke supermarkt gespoed. En het was me een boel wat ik moest inslaan, mijn god: marmelade, kersensaus, vijgen, rode uien, broccoli, oesterzwammen, gele kiwi’s, to name but a few. Ja, ik dacht ik sla gewoon groot in, dan zit er altijd wel iets interessants tussen om in de pan te flikkeren, keilen, of pleuren. Kortom, uiteindelijk had ik wel twee zakken boodschappen vol. Ook met hier en daar redelijk bederfgevoelige waar (u ziet hem al aankomen waarschijnlijk, maar dat vind ik geen reden het verhaal niet af te maken). Dat soort voedsel is namelijk vaak ook duur, en dus ook enorm culinair correct. Als een Neanderthaler sleepte ik de dingen mee naar mijn hol, oftewel, ons huis. “Kijk eens, man-dier,” zei ik stoer tegen mijn wederhelft, “de prooi van morgen. Voor de culinair aangelegde vriendin.” Vriend gromde goedkeurend toen ik alle etenswaren voor hem uitstalde. “Jahaa, indrukwekkend, ik weet 't”, zei ik, mijzelf op de borst kloppend.
Helemaal vol van mezelf wierp ik me op de bank en schonk ik mij een glas volgens de plaatselijke-supermarkt-wijn-lijst verantwoorde Australische chardonnay in. “Maaike”, steunde vriend, “zit er ook bederfelijke waar in die tas?” “Volop!”, antwoordde ik trots, “hoe verser, delicater en duurder, hoe bederfelijker.” Ik somde een lange lijst op met dingen die zeker binnen een dag hun prachtige glans dan wel smaak zouden verliezen. Er zaten zelfs etenswaren tussen die hun voedselvergiftigingsdatum reeds naderden (tja, het blijft de supermarkt, check zelf eens de houdsbaarheidsdata. Schandalig.). Vriend steunde opnieuw. “Maaike,” zei vriend rustig en geduldig, “welke dag denk jij dat het is?” “Tssss. Weet jij niet welke dag het is? Tjongejongejonge. Ik ben ook af en toe een lopende agenda voor jou, meneertje, eh... het is... donderdag. Sukkeltje.”, antwoordde ik licht geïrriteerd en met een zwaaiend terechtwijs-vingertje. “Lieverd”, zuchtte vriend, “ik vroeg het, omdat het vandaag woensdag is. Niet donderdag, zoals jij schijnt te denken. Culinair aangelegde vriendin komt pas vrijdag eten. Jouw culinaria gaan rotten, of in ieder geval stinken.” Mijn hoofd werd zo wit als de zojuist aangeschafte servetten. Dus u begrijpt, wij hebben gisteravond heerlijk zitten smullen teneinde ons te behoeden voor een (onwel)riekende koelkast. En nu vanavond maar weer naar de supermarkt om opnieuw wat dingen in te slaan. Het is morgen vrijdag. Toch?

dinsdag 14 augustus 2007

Hormonen


Joram: “Wat is er?”
Maaike: “Niks.”
Joram: “Weet je het zeker?”
Maaike: “Ja, hoor”
Joram: “Voel je je een beetje zielig ofzo?”
Maaike: “Neuh.”
(Maaike zucht)
Joram: “Waarom zucht je dan?”
Maaike: “Zuchtte ik? Nee hoor.”
Joram: “Ik weet het zo net nog niet. Je doet zo…Je kijkt zo moeilijk en je zucht de hele tijd.”
Maaike: “Echt niet.”
(Maaike zucht)
Joram: “Nou deed je het weer.”
Maaike: “Wat?”
Joram: “Je zuchtte.”
Maaike: “Tsssss”
Joram: “Ben je chagrijnig ofzo?”
Maaike: “Nee. Helemaal niet.”
Joram: “Wel een beetje toch?”
Maaike: “Nee, ik ben niet chagrijnig. Maar als je zo doorgaat, word ik het vanzelf.”
(Joram zwijgt)
(Maaike loopt naar de keuken en rommelt met veel lawaai in de keukenkastjes en laat iets vallen)
Maaike: “Verdomme, kloteboterham! Waarom vallen boterhammen met boter toch altijd op de grond met de boterkant naar beneden!”
Joram: “Nou, nou, doe ’s rustig…”
Maaike: “Het is niet eerlijk.”
Joram: “Wat niet?”
Maaike: “Het leven in het algemeen, en die boterham met boter in het bijzonder.”
Joram: “Overdrijf je nu niet een beetje?”
Maaike: “Ik overdrijf nooit.”
(Maaike kucht, en zucht)
Joram: “Ja, ga je nou nog zeggen wat er is of niet?”
Maaike: “Ga jij nou nog ophouden met zeuren?”
Joram: “Okee, ik zeg al niets meer.”
Maaike: “Fijn.”
(Stilte)
(Maaike zucht)
(Maaike laat weer iets vallen)
(Maaike snikt zachtjes)
Joram: “Wat is er nou toch?”
Maaike: “Niemand houdt van mijhij!”
Joram: “Ik toch wel?”
Maaike: “Ja, maar voor de rest niehiemand!”
Joram: “Ben ik niet genoeg?”
Maaike: “Neehee!”
Joram: “Nou zeg…Daar maak je me wel een beetje verdrietig mee.”
Maaike: “Maar ík was al verdrietig. Ik was eerst.”
Joram: “Moet ik een kopje thee maken en een deken pakken?”
Maaike (pruilend): “Ja.”
Joram: “Ga je dan even een uurtje zielig doen en is het daarna voorbij?”
Maaike (pruilend): “Ja.”
Joram: “Als je nou meteen had gezegd dat je zielig was, hadden we ons een boel tijd en gedoe kunnen besparen.”
Maaike: “Ik kan ook al niet goed zielig doen, huuhuuuuu…”
Joram: “Als jij nou gewoon lekker de dvd ‘Als je begrijpt wat ik bedoel’ van Ollie B. Bommel opzet, is het over een uurtje over.”
Maaike: “Ja. Huilen bij ‘Zweeeeeelgje….’.”
Joram: “Dan zet ik thee en pak ik een deken.”
Maaike: “En dan moet jij ook ‘Zweeeeeelgje’ zeggen.”
Joram: “Zweeeeeelgje….”
Maaike: “Hahaha”
Joram: “Zie ik daar een glimlach?”
Maaike (pruilt): “Nee.”
Joram: "Ook niet een heel kleintje?"
Maaike (pruilt): "Nee. En je mag mij niet beinvloeden, ik ben zielig. Ik moet ruimte hebben om zielig te zijn."
Joram: "Hier. De dvd van Ollie B. Bommel zit erin."
Maaike: "Dankje."
Joram: "En hier zijn wat Kleenex."
Maaike: "Dankje."
Joram: "Als je het niet erg vind ga ik even in een andere kamer zitten."
Maaike (gaat op in film): "Zweeeeelgje..."

vrijdag 10 augustus 2007

De doorgesneden oogbal met iets wits dat naar buiten komt


Ik stel mezelf hevig teleur. Ik heb mij redelijk hoog zitten, waar het cultuur betreft. Misschien volledig onterecht hoor. Maar toch. Ik kijk graag Art-house films en houd van boeken als een biografie van Mao door zijn lijfarts of leesvoer van de reeds eerder beschreven (zie ‘Zomergasten’) neuropsycholoog Oliver Sacks. Maar Jezus zeg, wat ben ik soms toch een culturele proleet.
Niet schrikken, ik ga niet vertellen dat ik terugverlang naar ‘Seks voor de Buch’ of dat ik stiekem fan ben van Christina Aguilera. Dat is namelijk niet zo. Zo erg is het nu ook weer niet met me gesteld. Wat dan het probleem is? Ik verlang al een tijdje naar een specifiek boek. En dat boek is van …Tromgeroffel…Nicci French. Ik weet het. Thrillerchicklit. Ouderwetse whodunnit zonder toegevoegde intellectuele waarde. En toch, ik kan het niet helpen. Ik móet hun laatste boek hebben.
Vanwaar de omslag van snob naar slob? Het was een onverwachte aanval van achteren, ik was er totaal niet op voorbereid. (Vertel Maaike, vertel!) Er stond een voorpublicatie van het nieuwe boek van Nicci French, ‘Tot het voorbij is’, in een tijdschrift. Ik weet niet eens meer welk tijdschrift. Ik, magazinejunk, lees het blaadje van A tot Z en kwam dus ook langs het Nicci French epistel. En…tot mijn verbazing wilde ik weten hoe het af zou lopen.
Er was iets met een dode dame en een vrouwelijke fietskoerier die haar op de grond ziet liggen door de brievenbus. Ze (de koerier) breekt een raam en belt tegelijkertijd een ambulance. Als ze in het huis is, ziet ze dat de vrouw (onder anderen) een doorgesneden oogbal heeft (saillant detail, vond ik zelf. Hoe goed moet je dan wel niet kunnen richten in een geweldsituatie. Of juist slecht, het is maar hoe je het bekijkt). De ambulance komt, en de koerier moet kotsen in de plantenbak. Somehow weet je al dat de koerier erin betrokken gaat raken. Ja, nu ik het zelf teruglees ben ik er ook niet zo van onder de indruk. Eigenlijk een behoorlijk ruk-plot. Maar eerlijk is eerlijk, het was zo spannend, bloederig en onderhuids opgeschreven dat het me maar blijft achtervolgen. Mijn hoofd zegt: “Nee Maaike, niet kopen dat boek, dit is het begin van het einde. Straks raak je verslaafd. Dan heb je op een gegeven moment een hele plank Nicci French boeken!” Maar mijn hart zegt: “Vertel mij Nicci French, wie heeft het gedáán? Wie sneed er zo lafhartig een oogbal door?”
En dus loop ik al een dikke week bij AKO, Bruna en aanverwanten te struinen. Ik houd het boek even voorzichtig in mijn hand om het vervolgens weg te leggen. En weer op te pakken. En weer weg te leggen. En weer…enzovoort. Ik sta echt in dubio. Moet ik het nu kopen of niet? Ik denk dat ik geen keus heb, als ik dat ding niet aanschaf ga ik er vast over dromen. En om nu te dromen over een lelieblanke huid, een stroompje bloed en een oogbal waar iets wits uit naar buiten komt... Neuh. Zit ik niet echt op te wachten. Dus dan maar 19,95 euro neertellen voor wat peace of mind…

donderdag 9 augustus 2007

Spirulina en Kombucha/To boldly go, where most people hate to go…


Ik houd van raar eten. Kan ik ook niks aan doen. Geef mij een pakje sojamelk, wat geitenbrie en zeewiersoep en ik ga spinnend in de hoek de prooi verorberen. Van normale dingen zoals fruit houd ik daarentegen niet. Gatverdamme zeg, fruit. Dat is zuur. Fruit moet je voor mij enorm goed vermommen. Ik krijg het alleen maar binnen in de vorm van een babyhapje of Knorr Vie. Even terug naar écht eten. Ik ben niet zo’n nutcase die vaste stamgast is van de lokale natuurwinkel hoor, don’t get me wrong. Maar ik vind het wel leuk om dingen uit te proberen. Sap van ananas&broccoli? Kom maar hier. Nepvlees gemaakt van een vreemde boonsoort? Why not. Mijn vriend vindt het een vreemde hobby. Sojamelk doet hij af als behanglijm, geitenbrie als vreemdruikige kaas-wannabe en de zeewiersoep smaakt naar onze stoffige kelder.
Misschien heeft hij ergens wel gelijk, maar weet u waarde lezer, het is ook wel een beetje een acquired taste. Zei ze arrogant. Ja, je moet het léren eten. Er zit een onbeschrijfbare charme aan voedsel met een typische, niet nader te beschrijven smaak. Het is een beetje zoals wijn drinken, je moet het vaker gedaan hebben om de liefde voor wijn te kunnen begrijpen. Ik ben ook een liefhebber van goede wijn, vandaar de vergelijking.
Enfin.
Mijn nieuwe ontdekkingen in mijn zoektocht naar vreemde voeding zijn Spirulina en Kombucha. Het eerste is een drankje gemaakt van een algensoort uit Zuid-Amerika en het tweede is een gefermenteerde paddestoelachtige schimmeldrank (ik weet het, klinkt als een culinair hoogstandje). Als je Kombucha een paar weken laat staan, groet er een soort champignon in. Serieus. Spirulina smaakt een beetje naar een combinatie van modder en mos. Best lekker. Ze hebben er mango bij gedaan om het geheel iets meer voor jan-met-de-pet te maken, wat mij betreft een jammere en vooral onnodige toevoeging. En Kombucha smaakt naar een samenraapsel van bier en limonade. Jummy. Ik meen het. Ik hoor hier en daar gegniffel. Dames, heren ook, ik wil wel uw serieuze aandacht. Als ik door de supermarkt loop, wordt ik bijgans doodgegooid met saaie voedingsmiddelen zonder fantasie. Chips, witbrood, volvette Nederlandse kaas. Saaaaai. Ik pleit voor een spannender supermarkt. Een culinaire jungle, zo u wilt. Rare voedingsmiddelen zijn over het algemeen gezonder en in ieder geval lekker onconventioneel. Het liefst zou ik een rare-dingen-kookclubje beginnen, maar misschien draaf ik nu wat door. Zo. En nu ga ik lekker een kopje witte thee drinken en daarbij een stuk rijstchocolade eten. Hmmmm…

Bij tips voor andere niet-reguliere voedingmiddelen die ik beslist eens moet proberen, of mensen die mij willen verblijden met hun eigen vreemde eetgewoonten houd ik mij aanbevolen.

zondag 5 augustus 2007

Maaike bij Zomergasten (fictie)


Ik ben verslaafd aan ‘Zomergasten’. Niet alleen heb ik een zwak voor intellectuele flirt Joris Luyendijk, ook vind ik het mateloos interessant wie wat kijkt, en vooral waarom. Niet zelden schafte ik na het zien van Zomergasten een film, boek of abonnement op een tijdschrift aan. Vanavond zat ik weer eens vastgelijmd aan de buis en vroeg ik mij af hoe ‘ik zou zijn’ in dit programma. Een impressie (en zie vooral ook de zin onderaan impressie: tips om te lezen/zien/horen??? Hierrrr ermee!)

Joris: “Vertel eens iets over dit fragment?”
Maaike: “Nou Joris…”
(Joris lacht en geeft een knipoog)
(Maaike kijkt een seconde ongemakkelijk, voelt zich gevleid en glimlacht naar Joris met geloken ogen)
Maaike: “Dit is een fragment van ‘Kopspijkers’, van de VARA. Piet Vroon is te gast, samen met Emile Ratelband. Ze krijgen ruzie omdat Vroon niet gelooft in Neuro Linguistisch Programmeren (mensen positief lullen, red.) en Ratelband wel.”
(Fragment. –te vinden op Youtube, red.-)
“Het is me altijd bijgebleven dat Vroon kort daarna overleed. Het was geen zelfmoord volgens zijn biografie, maar dat is lange tijd nog onduidelijk gebleven. Ik zat met een soort permanent moralistisch schuldgevoel over de Nederlandse journalistiek. Ik had het gevoel dat er veel effectbejag was bij dit subject, maar weinig inhoud. Het is voor mij, terugkijkend, exemplarisch voor de hedendaagse westerse journalistiek. Het gaat om sensatie, niet om inhoud. Kijk maar naar de verslaggeving over ‘The War On Terror.’ Wat is Terror? Door een onderwerp zo identiteitsloos te maken, creëer je veel makkelijker een anoniem vijandbeeld dan dat je bijvoorbeeld zegt: wij zijn bang voor fundamentalistische islamieten die een agressieve houding hebben tegenover de westerse wereld. Overigens was ik nog jong, tijdens dit fragment. Ik had nog niet veel kaas gegeten van journalistiek, maar ik kreeg gewoon buikpijn bij dit fragment, het voelde niet goed. “
(Joris knikt geïnteresseerd naar Maaike)
(Maaike speelt met een krul in haar haar. Slaat haarl lange wimpers op naar Joris en toont een lichte glimlach. Zwijgt.)
(Joris zegt ook niks)
Maaike: “Ha, je zwijgt. Dat is een bekende journalistieke truc om mij aan het praten te krijgen.”
(Joris knikt naar Maaike)
(Maaike knikt naar Joris)
(Joris knikt naar Maaike)
Maaike: “Je spiegelt me. Da’s toch een bekende journalistieke truc om mijn sympathie te wekken?”
(Maaike gaat anders zitten)
(Joris gaat ook anders zitten)
Maaike: “Maar ik vind je wel een lekker ding hoor. Je hebt een vrouw en kinderen he?”
(Joris knikt)
“Jammer hoor.”
(Joris kijkt een seconde ongemakkelijk, voelt zich waarschijnlijk gevleid en glimlacht met geloken ogen)
(Volgende fragment)
Joris: “En dit?”
Maaike: “Dit is ‘La Fille sur la Pont’ (te vinden bij sommige filialen van Plato, red.). Een film over een meisje, gespeeld door Vanessa Paradis, dat assistent wordt van een messenwerper, want hij heeft haar gered van een zelfmoordpoging op een brug. ‘Pont’ is brug in het Frans.”
Joris: “Dat weet ik toch.”
Maaike: “Oja, ik was even vergeten dat jij heel veel weet.”
(Joris lacht en knikt)
(Maaike gaat even rechtop zitten zodat haar décolleté iets beter uitkomt)
Maaike: “Het gaat over de pijnlijkheid van liefde. De zelfopoffering, het grenzeloze vertrouwen, het risico om gekwetst te worden.”
(Joris knikt geïnteresseerd)
“Dat heeft iedereen. Het is een universeel gegeven dat liefde mooi is, maar verliefd zijn doet ook altijd een beetje pijn.”
(Joris knikt)
(Maaike knikt terug en pakt lipgloss uit het zakje van haar dure, speciaal voor de gelegenheid aangeschafte colbert. Strijkt met haar vinger over haar lippen en schuift de lipgloss open. Werkt lippen bij.)
Maaike: “Even ‘damage controll’, hoor. Ik zit hier tenslotte drie uur.”
(Joris knikt)
(Maaike kijkt op, lacht breeduit en strijkt met haar hand langs haar wang. Dan kijkt ze even bedenkelijk.)
Maaike: “Zeg Joris?”
Joris: “Ja, Maaike?”
Maaike: “Jij gaat altijd heel mooi mee op het ‘level’ van je geïnterviewden. Je bent bijna letterlijk een spiegelbeeld van ze. Betekent dat dat ik veel zwijg en knik?”
Joris: “Nee hoor, vandaag maak ik een uitzondering. Jij lult vooral veel.”
Maaike: “Dus je spiegelt me tegenovergesteld? Als het ware een negatief van hoe ik me gedraag?”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Dus zoveel als jij zwijgt, zoveel lul ik?”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Daar moet ik dan toch iets aan doen.”
(Fragment)
Maaike: “Dit is ‘Awakenings’ (te vinden bij zeer oude videotheken, op VHS, red.). Een film over neuropsycholoog en schrijver Oliver Sacks. In de jaren twintig van de vorig eeuw was er een epidemie van een soort slaapziekte, Encefalitis Lethargica, en daar ontwikkelde hij een medicijn voor. Of, dat wil zeggen, hij kwam erachter dat een medicijn tegen Parkinson ook hielp tegen die slaapziekte. Probleem was alleen dat mensen na verloop van tijd weer in die apatische situatie terechtkwamen. En ze waren zich ervan bewust. Dat was het wrange. Een van de hoofdrollen wordt schitterend vertolkt door Robert de Niro, als zo’n patïent.”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Wat… Lul ik teveel?”
Joris: “Nee, ik wachtte gewoon tot je het ging uitleggen.”
Maaike: “Wat een psychologisch spelletje zeg, dat ‘Zomergasten’.”
(Joris gooit een flirterige blik over tafel)
Maaike: “Grrrr…”
Maaike: “Oh, zei ik dat hardop?
Maaike: “Wat ik zo mooi vond aan die film. Eh… ”
(Maaike weet niet meer wat ze moet zeggen. Kijkt dan Joris twintig seconden in zijn ogen, de spanning is te snijden. Kleine zweetdruppeltjes verschijnen op Maaikes voorhoofd.)
Maaike: “Warm he, zo’n studio.”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Ik vat deze film op als een metafoor. Het streven van de mens naar een onhaalbaar doel. We leven met de zekerheid dat er maar één destinatie is, de dood. De Niro is in deze film voor mij een soort metafoor van de mens. Zodra hij zijn sterfelijkheid onderkent, maar niet accepteert, is hij reddeloos verloren.”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Ofzo.”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Maar misschien is het vooral een film over die ziekte hoor, ik zeg ook maar wat. Bij ‘Zomergasten’ moet je toch altijd een diepgaande psychologische waarde toekennen aan tv-fragmenten…
(Joris zwijgt en knikt)
(Het blijft lang stil)
Maaike: “Zeg, Joris?"
Joris: "Ja?"
Maaike: "Vind je mij een beetje intellectueel?”
(Joris zwijgt en knikt)
Maaike: “Zeg, Joris. Zullen we zo even een dure wijn doen in de VPRO-bar? Hmmm?”
Joris: “Grrrr…”
Maaike: “Grrrr…”


ANDERE ‘ZOMERGASTEN TIPS’ HOOR IK OOK GRAAG. WELKE FILM MOET IK ZIEN, BOEK MOET IK LEZEN, CD MOET IK GEHOORD HEBBEN?

dinsdag 31 juli 2007

Oh, daarom was-ie zo goedkoop…


Gisteren kwamen we (mijn moeder en ik) op het lumineuze idee de uitverkoop van de Franse stad Montpellier eens van dichtbij te bestuderen. Goed idee, op een allejezushete dag, vonden we zelf. Er zat een plan achter: we dachten de rest van de toeristen te ontlopen met deze omgekeerde logica vakantieshop-strategie. Want wie gaat er nou shoppen op een zonnesteekdag? Helaas, daar dacht de rest van de toeristen hetzelfde over, en dus liepen we, in de hitte, tussen drommen toeristen die ook dachten anderen te slim af te zijn. We strompelden door het enorme warenhuis Galeries Lafayette en ‘lo and behold’, daar hing plotseling een vestje. Let me rephrase that: mijn vestje. In mijn ooghoek zag ik iets glinsteren, iets gouds, met pailletten. Ekster als ik ben, struikelde ik nog net niet over alle andere vrouwen in de winkel (al duwde ik ze wel opzij) en stortte me bovenop het topje. “Mine,” zei ik op een Golemachtige Lord of the Rings-toon, “my precious…”. Ik hield het dicht tegen me aan en was niet voornemens het om welke reden dan ook los te laten. Eerst nog maar even kijken hoeveel het kostte. Ongelofelijk, het ding kostte maar tien euro! “Het kost maar tien euro!” gilde ik ter benadrukking nog maar eens tegen mijn moeder. Die instemmend maar met een twijfelende blik in haar ogen knikte. Mijn moeder is een iets meer ervaren shopper dan ik, en zij vermoedde dus een addertje onder het gras. “Mooie dingen zijn nooit voor niets zo goedkoop. Is-ie niet kapot, of zit er ergens een grote dikke vlek op?”, sprak zij met een volleerde professionele middelbare-leeftijdstem “Nee hoor!”, juichte ik, en danste rond in mijn nieuwe aanwinst. Mijn moeder was onder de indruk. Ook zij kon geen fouten ontdekken. Ik danste nog een paar maal rond mijn mams en we legden het ding daarna even op een tafeltje om het voor de laatste keer uitgebreid te bestuderen. Ik verweet mijn moeder nog maar eventjes dat ze niet zo wantrouwig moet zijn. “Wat ben je soms toch vijftigplus. Soms zijn dingen gewoon goedkoop mama, er hoeft heus niet altijd iets mee mis te zijn”, zei ik met een wijze blik in mijn ogen. Mijn moeder knikte. We gingen dus maar in de lange kassarij staan om mijn waardevolle kleinood af te rekenen. Toen we thuis waren en ik het vestje aan mijn vriend showde, zei deze na precies 0,4 seconden: “Jammer alleen van die kale plek op de achterkant.” Die wát? “Die plek bij je rug.” Zenuwachtig bestudeerde ik mijn vestje in de spiegel. Hij had gelijk. Er zat een klein, maar duidelijk kalend plekje op mijn vestje. Met frustratietranen in mijn ogen, liep ik naar mijn moeder. “Kijk dan…”, zei ik teleurgesteld. “Ojee,” zei mijn moeder, “dat we dat over het hoofd hebben gezien…” Ze stelde me met een kloeke stem gerust: “Dat overkomt de beste. Ik ga het snel in orde maken. Gelukkig heb ik ergens nog een doosje pailletjes liggen.” Diezelfde avond zat mijn moeder pailletjes op te naaien alsof ze in een illegaal naaiatelier werd afgebeuld. Ik keek vol bewondering toe, hoe mijn topje weer ‘heel’ werd. Ik heb zelf twee linkerhanden, dus ik was dankbaar dat ze haar twee rechterhanden tijdelijk voor me wilde opofferen. “Hij is klaar!”, zei ze na een dik uur trots en zwaaide met het topje. Zo. Nu kon er niets meer misgaan. We hadden hem goed onderzocht in de winkel, maar een klein productiefoutje over het hoofd gezien. Maar gelukkig was het euvel nu opgelost en kon ik met een perfect glittertopje de rest van mijn vakantie door. Het zou mijn lievelingskledingstuk worden en ik zou het alleen nog maar uit doen als ik zou slapen, verzekerde ik mijn moeder. Ik trok het meteen weer aan en paradeerde ditmaal voor de neus van mijn vader rond. “Kijk pap, ik heb een nieuw vestje met pailletjes.” Mijn vader keek bewonderend naar me, zei op zijn vaders ‘nou, nou!’ en staarde daarna met één opgetrokken wenkbrauw naar mijn oksel. “Wát…”, zei ik nors, “Wahááát?”. “Jammer van die enorm grote kale plek bij je linkeroksel”, zei hij nuchter.

maandag 30 juli 2007

Vliegen- en muggenleed


Ik zal, ben ik bang, nooit een fervent voorstander worden van de PvdD (Partij voor de Dieren). Don’t get me wrong, ik ben ervoor dat huisdieren lief behandeld moeten worden, en ik koop mijn vlees regelmatig bij de natuurwinkel bij ons op de hoek, maar twee diersoorten mogen wat mij betreft meteen de doodstraf krijgen, het liefst zo gruwelijk mogelijk: de vlieg en de mug. Uiteraard komt deze opmerking niet uit de lucht vallen. Ik ben op vakantie. Dat zegt genoeg vrees ik, en anders zal ik het nog eens spellen: ik heb last van vliegen en muggen.
Hoofstuk 1: Vliegen.
Het begint al aan het ontbijt. Nog voor ik mijn dampend croissantje neer kan zetten, nestelt zich een enorm zoemend vliegend bruinig voertuig op mijn bord. Dit ontneemt mij meteen mijn eetlust, doch, heb ik mij voorgenomen: ik zal mij niet laten kisten door een verdammte poepvlieg. Want dat zijn het altijd, die vliegen die op je croissant gaan zitten: poepvliegen. Het zijn nooit eens lieve kleine, veelkleurige elegante vliegjes, nee het zijn altijd logge zwarte beesten bij wie, bij wijze van spreken, de stront nog aan de pootjes kleeft. Geïrriteerd pluk ik aan mijn ochtenddis. Kutvliegen. De rest van de dag kamperen ze op mijn armen, benen, voorhoofd en soms zelfs op mijn ooglid. Het lijken verdomme wel een stel Duitse toeristen. Hun plek verlaten, ho maar. Telkens keren ze terug naar hetzelfde onderdeel van mijn lichaam. Op kleine vliegenhanddoekjes pakken ze wat zonnestralen mee, onder het genot van een enorme pul vliegenbier: mijn vakantiezweet. Ik stel het me ongeveer zo voor, twee dikbuikige vliegen zitten op mijn borst en voeren het volgende gesprek: “Du, Heinrich, hier ist ja een mooi plekje! Lekker rond, und met een weids uitzicht uber ganz das natuurschoon. Ich sage, pak deine handdoek und laten we hier de hele dag lekker bakken!” “Jawohl, Dieter, das ist ein gutes idee! Ich habe noch ein stukje croissant tussen mijn pootjes van zojuist.” “Hmmm, lekker, ich habe noch ein bischen poep von gestern. Lekker schranzen, wie gute Duitse toeristen!” En ze proosten de rest van de dag op hun prachtige kampeerplek en overwegen de aanschaf van een caravan.
Hoofdstuk 2: Muggen.
Als ik ‘s avonds uitgeput lig bij te komen in mijn bedje van de irritaties over de strontvliegen, hoor ik een zacht, maar daardoor niet minder doordringend gezoem in mijn oor. Meteen denk ik aan mijn vijanden van de dag. Maar nee, ditmaal is het ‘a whole different ballgame’. De mug. Waar de poepvliegen de hele dag overal irritant zichtbaar op- en aanzitten, daar zijn mijn nieuwe vijanden de guerrillastrijders van de nacht. De muggen-Vietcong. Je ziet ze niet, maar je wéét dat ze er zijn. Als je ze zoekt, houden ze zich stil, maar op het moment dat je even niet oplet zuigen ze met overgave het bloed uit je aderen. De aanval gaat vaak als volgt: “Pssst, pssst, Quân…Jij leidt rechts af, ik steek ‘m links in haar wang. Straks andersom. Stil!” “Okee Chîen, Charlie. O nee, dat is niet onze codetaal.” “Shut up, sukkel. Laat de oorlog beginnen...Zzzzzzoemmmm…” Vervolgens storten deze moedige soldaten zich in het gevecht op leven en dood. En dan sla ik halfslapend de mug van mijn rechteroor weg, terwijl aan de linkerkant op mijn wang de strijd wordt uitgevochten. Bij de muggen vallen aanzienlijk meer doden, hoewel dit meestal gepaard gaat met lange zoek- en insluittochten mijnerzijds.
Ik heb ergens wel ontzag voor muggen: ze zijn onvoorspelbaar, vaak onzichtbaar en vooral erg vindingrijk qua parasitaire plekken. Hoe vaak ik niet een muggenbult heb op een onmogelijke plek als, zoals mijn eerder genoemde wang, het bovenste kootje van mijn rechterpink, of zelfs onder mijn linker grote teen…

De prachtige evolutie (of, zo je wilt, de schepping van God, Allah, of een andere hoge pief), heeft toch een fout begaan. Ze, de vlieg en de mug, zijn allebei weliswaar een onderdeel van onze prachtige voedselketen, maar wat mij betreft mag dat ding bij dezen een stap overslaan. Er is in die hele keten geen diersoortonderdeelbeestachtigheidsvorm te bedenken waaraan de menssoort zich zo unaniem ergert. En daarom stel ik het volgende voor.
Ik richt bij de volgende verkiezingen een tegenpartij op: PtzvD. Partij tegen zoemende vakantieverpestende Dieren. Als zelfs de PvdD in de kamer kan komen, dan kunnen wij het ook. En ons eerste agendapunt: gratis citronella en vliegenplakgordijnen voor iedereen.

zaterdag 7 juli 2007

Op jacht naar een luipaard


Vandaag ben ik vruchteloos op zoek geweest naar een luipaardprintjas. That’s just my luck: ik zoek altijd naar dingen die nog niet in de winkels liggen. Koortsachtig kan ik op strooptocht gaan naar een vestje met gekleurde strasssteentjes, een lange gelaagde hippiejurk of, in dit geval dus: de leopardcoat. En verdomd als het niet waar is: zodra ik mijn zoektocht staak, hangt het -wat ‘het’ op dat moment ook is- in de winkel. Dan loopt iedereen er in! Hoe vaak ik wel niet vloekend in de H&M heb gestaan omdat er plotseling veertien meisjes met mijn topje –dat ik al vier maanden in gedachten had- richting paskamer schoven…
Je zou kunnen zeggen dat ik een voorloper ben. Iets dat ik graag wil aannemen. Je zou ook kunnen zeggen dat ik belabberde modetiming hebt, iets wat ook waar is. Want zodra mijn felbegeerde item in de winkel hangt, heb ik er geen interesse meer in. De jaren zestig trend? Ik zag hem al een tijd aankomen. Nu heb ik wel een aantal sixtiesdingen, maar eerlijk is eerlijk: tegen heug en meug. Nu is het namelijk zo ‘in’ en dan heb ik er geen zin meer in. Loop ik erbij volgens de laatste of zelfs volgende mode? Was het maar waar. Ten eerste laat mijn budget het niet toe. Ten tweede ben ik inmiddels zo vaak teleurgesteld door mode… Hoe? Vroeger, toen ik nog een jong en onschuldig maaiketje was, dacht ik bij elke modetrend ‘mezelf gevonden te hebben’. Was de Afrikaanse look in, dan vond ik de Afrikaan in mezelf en liep ik, hoofdtooi en al, over de straten van het kleine dorpje Leersum (Utrecht). Was daarentegen Japan helemaal hot, dan had ik een kimono aan. Folklore in de mode? Ik wás dan gewoon Noors. En elke keer weer met volledige overtuiging, alsof ik in een nieuwe religie was gedoken. Needless to say dat ik in het plattelandsgehucht werd gezien als de dorpsgek. En misschien wel terecht. Anyway, toen ik een tijdje model was, werd mijn mode-gen gevoed als een gans met een trechter in de bek. Zoveel fashion kon ik niet handelen. Ik droeg vaak verschillende trends door elkaar en soms was ik ook gewoon helemaal de modeweg kwijt. Toen ik daarna ging studeren, werd het een wedstrijd zoveel mogelijk te scoren voor zo weinig mogelijk geld. En nu, ja nu werkt mijn mode-gen nog wel, alleen ik doe er niet zoveel mee. Ja, af en toe zonder succes op zoek gaan naar een item dat dan dus later in alle winkels te vinden is en dan vervolgens heel hard balen als een seizoen later iedereen erin loopt. Maar verder loop ik er eigenlijk best doorsnee bij, vind ik zelf. Best saai. Nou ja, apart, maar niet supermodieus. ‘Eigen’, is denk ik het beste woord. Waarom ik dat doe? Omdat ik me tegenwoordig, meer dan vroeger, realiseer dat alle trends voorbij gaan. En dat alle trends ook weer terugkomen. En dus kan ik met de kleren in mijn kast net zo goed wachten tot ze weer helemaal hot zijn. Als zelfs leggings in de mode komen, sluit ik niets meer uit. Ben benieuwd of ik aankomende winter een twintigtal meiden met mijn luipaardjas bij de kassa zie staan.

woensdag 4 juli 2007

Romantische avond met computerlicht

Joram en Maaike zitten samen op de bank. Het is avond, de verwarming staat zachtjes aan, gedimd licht, romantisch zou je zeggen. Mwoa. Want Joram en Maaike zitten te computeren. En wel allebei op hun eigen laptop.
Joram: “Kijk, de Transformers zijn uit in Nederland. Kijk dan wat een vette trailer.”
Maaike: “Nou…” (Hoe kom ik hier onderuit?)
Joram: “Kijk dan!”
Maaike: “Oh, wacht ik moet niezen. Even in het licht kijken. Shit, lukt niet.”
(Stilte)
(Stilte)
(Stilte)
Joram: “Ik zit hier, hoor.”
Maaike: “Ik moest niezen.”
Joram: “Ja, vijf minuten geleden, ja. Kijk nouhou…Het is echt vet.”
Maaike: (staart even naar Jorams beeldscherm) “Nou, prachtig hoor. Poehpoeh.”
(Getyp)
Maaike: “Grrmmmpffff!”
Joram: “Wat is er?”
Maaike: “Ik ben hyvesblogjes van kennissen aan het lezen. Sommige zijn echt lachen man.”
Joram: “Oh.”
Maaike: “Hier, lees deze eens?”
Joram: “Even de trailer op pauze zetten” (Hoe kom ik hier onderuit?)
Maaike: “Dan moet je hem wel op stop zetten, die trailer.”
Joram: “Het knopje bleef hangen. Stomme Apple.”
Maaike: “Ja, ja. Lees dan!”
Joram (kijkt snel): “Grappig hoor. Ja. Haha.”
Maaike: “Zo snel kan jij echt niet lezen.”
Joram: Echt wel.”
Maaike: “Je lult.”
Joram: “Nee, jíj zat naar die trailer te kijken net.”
Maaike: “Ja.”
Joram: “Liegebeest.”
Maaike: ‘Echt niet, ik zat echt wel te kijken.”
Joram: “Oja, hoe heet die kleine gele Transformer dan?”
Maaike: “Eh…iets met een vlieg.”
Joram: “Tssssss…Hij heet Bumblebee.’
Maaike: “Wat. Da’s toch een vlieg.”
Joram: “Nee, da’s een bij.”
Maaike: “Whatever. “
(Getyp)
Maaike: “Hoe laat is het?”
Joram: “Half elf”
Maaike: “We zouden vanavond iets romantisch gaan doen. Tijd samen doorbrengen enzo.”
Joram: “Oja.”
Maaike: “Yep.”
(Getyp)

dinsdag 3 juli 2007

De snottampon

Ik ben niet zomaar verkouden, ik ben extreem verkouden. Mijn neus is werkelijk hysterisch geworden. Hij loopt alsof er geen morgen meer is. En een hoofdpijn dat je daarvan krijgt (van het snot ophalen), niet normaal zeg. Gisternacht was toch wel het toppunt, qua verkoudheidsgraad. Hele rivieren stroomden langs mijn kin naar beneden. Er kwam een koppijn bij die niet zou misstaan bij een fikse kater. Ik voorzag grote problemen bij het slapengaan qua loperigheid, maar was tegelijkertijd helemaal uitgeput door al het gekuch, genies en gesnotter. Moest. Slapen. What’s a girl to do? Een snotdoorweekt kussen zag ik niet zitten en evenmin een nacht wakker liggen om mijn neus op te halen. En ja, dan is er nog maar één oplossing: vouw van een stukje toiletpapier een rolletje en duw dat heel voorzichtig in je neus. Duw hem niet te ver, hij moet ook weer niet in je hersenpan eindigen. Voila, een snottampon. Met een rustig gemoed vlijde ik mij neder op mijn heerlijk bedje. Een zucht van opluchting verliet mijn zwoele lippen en voor ik het wist lag ik te snurken als de spreekwoordelijke os. Enfin, eind goed al goed, zou je zeggen. Niet als je ’s nachts moet plassen. Ik was tijdens mijn nachtelijke plas alweer helemaal vergeten dat ik een snottampon in mijn neus had geduwd en passeerde per ongeluk een spiegel. Een hard ‘wuuuuh!’ riep ik in de zwarte stille nacht. Van pure schrik. Ik greep naar mijn doorweekte vriendje en keek er een paar seconden vol verbazing naar. Wat was dit? Wat deed het in mijn neus? Kon ik meer van dit soort dingen verwachten? En zo ja: waar dan? ‘Gelukkig’ begon mijn neus alweer snel als een maleier te lopen, wat mij meteen tot de conclusie bracht: “Oja, ik (sllrrrrp) was verkouden (slllrp).” Vandaag is gisteren alweer een dag geleden en ik ben nog steeds niet minder verkouden. Pilletjes, vitamines, hele sinaasappels met schil, het mag niet baten. En met een snottampon op je werk zitten, ik weet het niet. Niet echt mijn stijl. “Slllrp.” Wel potverjanpielekes. Ik word echt gek van dat gesnotter! Mijn lichaam wil duidelijk oorlog met mij. Nou, als dat zo is, dan kan-ie ’t krijgen ook. Vanavond eet ik brocolli (vitamine A, B, C, K, E), een biefstuk met veel bloed (ijzer), en eet ik als toetje een paar kiwi’s (veeeeel vitamine C). Wat had je dan? Kom maar op! Ik kan je hebben. hoor (op de achtergrond draait ‘Eye of the tiger’ en ik doe een Rambo-achtig trainingsdansje). Wat trouwens ook altijd gebeurt als ik verkouden ben (en dan echt verkouden, niet van die mietjeshoestjes): dan raak ik mijn coördinatievermogen kwijt en word ik een beetje onsamenhangender dan anders. Kan dat? Ja, dat kan. Zowaar. Kortom, dan loop ik niet tegen vier deuren per dag aan, maar gewoon voor het gemak tegen alle deuren die ik tegenkom. En tafels, en mensen, huisdieren, gewoon eigenlijk alles wat ik tegenkom op een dag. Het is een wonder dat ik nog leef met al die auto’s, treinen en vliegtuigen en mijn verkoudheid. De laatste zin is trouwens representatief voor mijn onsamenhangendheid. Vliegtuigen kunnen mij natuurlijk helemaal niet raken als ik over straat loop. Tenzij ze neerstorten natuurlijk. En treinen alleen als ik over de rails loop. Weet je trouwens dat in grote internationale steden de rails van metro’s onder stroom staan? Dan ben je al dood voordat de trein überhaupt kan passeren. U zegt dat ik nu begin te ijlen? “Sllllrrrrp” Heu… “Slllrrrrp…snuf…rochel…” Iemand nog tips tegen mijn verkoudheid?

zondag 24 juni 2007

Avondeten is een moeilijk iets bij ons thuis

M: “Joram?”
J: “Hmmm?”
M: “Hebben we wel iets in de koelkast voor vanavond? Want het is nu vijf voor acht. De winkel gaat zo dicht.”
J: “Hoe bedoel je?”
M: “Nou, ik heb geen boodschappen gedaan, en jij ook niet.”
J: “Hmmm…”
M: “Wat bedoel je met die ‘hmmm’?”
J: “Hmmmm?”
M: “Wat je met die ‘hmmm’ bedoelde?”
J: “Welke ‘hmmm?”
M: “Twee ‘hmmm’s’ geleden.”
J: “Jezus, dat weet ik niet meer hoor.”
M: “Maar de vraag was: hebben we iets te eten?”
J: “Wát te eten?”
M: “Hoe bedoel je ‘wát te eten’? Bedoel je hetzelfde als ik of bedoel je het iets algemener?”
J: “Nou, wat wil jij eten dan, en of we dat hebben. Dus.”
M: “Ja, dat weet ik niet, dat vraag ik dus aan jou. Of we iets hebben dat jíj wilt eten, en ik óók en dat we dat dan hebben. Of niet. En dan moeten we het nu gaan halen. Want het is nu drie voor acht.”
J: “Maar ik weet toch niet wat jij wilt eten?”
M; “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Maar Jor?”
J:“Hmmm?”
M: “Iets willekeurigs bedoel ik. Iets willekeurigs is ook goed. Te eten bedoel ik.”
J: “Hmmmm…”
(J staat op en loopt naar de koelkast)
J: “We hebben wel iets.”
M: “Wat dan?”
J: “Boter.”
M: “Ja, boter…en?”
J: “Dat was het, alleen boter.”
M: “Dat is toch geen gerecht?”
J: “Nee, maar het is wel iets willekeurigs.”
M: “Daar heb je gelijk in.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Ja?”
M: “Waar heb jij zin in?”
J: “In Top Gear kijken.”
M: “Ja, maar dat kan je niet eten.”
J: “Da’s waar. Maar het is wel leuk.”
M: “Dat vind ik ook.”
J: “Vooral als ze dingen gaan testen door er met caravans op te schieten.”
M: “Ja, dat is inderdaad leuk, ja!”
J: “Hahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Hahahahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Dus.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Wat is er, Maaike?”
M: “Het is nu één voor acht en we hebben nog steeds geen eten.”
J: “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Nog dertig seconden, dat gaan we niet meer halen, toch?”
J: “Neuh…”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Zeg het eens?”
M: “Wat kun je allemaal maken met alleen boter?”

Katten moeten in de magnetron?

De bovenstaande kop doet vermoeden dat ik een hekel heb aan katten. Het tegenovergestelde is het geval. Wat zeg ik, ik héb twee katten. En ik houd zielsveel van deze pluizige, klagerige, typische, knorrende, eigenwijze dieren, Ik verwen ze, knuffel ze, ik heb ze lief. Maar soms, heel soms, zou ik ze allebei in de magnetron willen doen en hun kleine poezeschedeltjes horen ontploffen tegen het magnetrondeurtje, als een rottend ei. Twee doffe, kleine klapjes. Dacht ik dat hardop? Ze kunnen me echt het bloed onder de nagels vandaan halen. Vooral de oudste, Poema, een grijs vuilnisbak-rasje, schept er veel genoegen in om zelfs na honderd keer waarschuwenen, voor de honderd-en-éénste keer op ons aanrecht te springen en te likken aan onze to-do-afwas. Je kunt ook denken: doe dan wat eerder je afwas, maar dan zeg ik op mijn beurt: dat zijn mijn zaken. Hij dient er met zijn kleine kattetongetje vanaf te blijven, al laat ik die afwas staan tot het zelfstandig het aanrecht verlaat. Nog irritanter: mijn katten hebben een intern wekkertje, dat om half acht ‘s ochtends afgaat. Ook in het weekend. En dus sta ik elk weekend om twee over half acht met slaapogen en piekhaar ranzig voer in een bakje te prutten. Nog zo eentje: Pluizerd, onze witte stokdove benjamin, is nieuwsgierig. Erg nieuwsgierig. Als ik sta te douchen, komt madam er gezellig bij zitten. Nee, ze wil niet meedouchen, maar de deur moet wel openblijven anders schreeuwt ze moord en brand. Als ik naar het toilet ga, idem dito. Mejuffrouw springt, nog voor mijn broek op mijn knieeën hangt, op mijn schoot en begint een heel gesprek. Ik kom maar niet weg, want ze weigert ervan af te gaan. Ze is ook bijzonder nieuwsgierig naar de stofzuiger. Dat ze soms bijna in de pijp verdwijnt door de enorme zuigkracht, deert haar in het totaal niet. Ons wel. Regelmatig moeten we haar met een soort ‘plop’-geluid van het ding verwijderen. Dan is ze vacuum getrokken. Ze is ook nieuwsgierig naar vuur, getuige haar verschroeide snorharen na een al te intieme rendez-vous met onze kaarsen. Onze katten weten de vuilnisbak open te maken, ze gooien dingen om voor de kick, ze eten als je even niet oplet je hele bord leeg. Kortom, onze katten doen alles om ons te irriteren. Maar, het moet gezegd, ze hebben ze daarnaast ook hun eigen leven. Zo hebben ze een kattentelevisie, oftewel: ons raam. Vooral pluizerd mauwt tegen alles wat beweegt met een overtuiging alsof haar leven er vanaf hangt. Gezellig, maar soms horen we onze eigen televisie daardoor niet meer. Ook doen de poezenbeesten tikkertje in onze woonkamer, rennen over alles heen en laten ons vaak in het gedrang struikelen. Dan val ik bijna een tand door mijn lip omdat de kleine monstertjes net beurten hebben gewisseld en dus een draai van 180 graden maken. Okee, ze klinken nu als hellehonden, maar bedenk wel dat ik er net één van een belangrijk elektrisch snoer heb afgetrokken en de ander van de eetkamertafel heb geslagen. En dat allebei al voor de vierde keer in tien minuten. Eigenlijk zijn het soms verschrikkelijke dieren. Dus ze gaan naar het asiel? Neeeeee….Want ze zijn ook heel lief. Poema duimt. Hij steekt zijn duimpje in zijn bek en gaat dicht tegen je aanzitten. Dan hoor je het allerliefste soppende geluidje dat er bestaat. Als je in bed ligt, kruipt hij onder de dekens en valt tegen je aan in slaap. Pluizerd is een slettenbakje dat urenlang met je kan vrijdozen en altijd terugpraat als je haar iets vertelt. Bovendien volgt ze je waar je ook gaat, puur omdat ze dat gezellig vindt. Ik houd echt wel van ze en vind ze soms ontzettend vertederend. ‘s Nachts, bij nachtelijke toiletbezoeken, liggen de beestjes innig verstrengeld met hun pootjes om elkaar heen en een gelukzalige glimlach om hun kattenlipjes heerlijk te dromen. Daar kan ik uren naar kijken. Op dat soort momenten zou ik ze juist op willen vreten. De schatjes. Het zijn mijn verschrikkelijke schatjes.

zaterdag 23 juni 2007

Onweer in Hoofddorp/Het slachtoffer zonder ramp

Wolken zwanger van enorme regendruppels pakten zich vrijdag 22 juni samen boven idyllische forensenstad Hoofddorp. Het was half acht, ik was net klaar met werken (ja, ze bestaan nog, noeste werkkrachten, want met een deadline op maandag). Gerommel in de lucht en een plotselinge lichtflits. The deal was clear: onweer. En niet zo zuinig ook. Ik spoedde me naar het station. Dat is maar twee minuten lopen vanaf mijn werk. Ik zag met ouderwets verlangen uit naar een welverdiende portie Albert-Heijn-To-Go hardgeworden sushi, ofwel: mijn diner. Zodra ik het Sanoma-pand verliet, verplaatste het onweer zich van vlakbij Hoofddorp naar boven het station. De typische gedachte die dan in mij opkomt is: dat heb ik weer. Zal je zien dat in heel Hoofddorp de bliksem op zoek is naar mij. Aan alle kanten van het station leek de bliksem zijn pijlen te richten. Achter het gebouw links, achter het gebouw rechts, hoe dan ook: allemaal heel dichtbij. Dat weet ik, omdat ik de seconden tussen de bliksem en de donder telde. Mijn moeder heeft me altijd geleerd dat het onweer hemelsbreed precies het aantal kilometers weg is als dat er aan seconden tussen de bliksem en donder zitten.
Begrijpt u het nog?
Kort samengevat: als je tussen de bliksem en donder drie seconden telt, is het onweer drie kilometer van je verwijderd. In welke richting vermeldt deze truc niet, maar hoogstwaarschijnlijk kun je dat bepalen door te kijken aan welke kant het bliksemt. Vreemd genoeg mis ik dat moment altijd. Ik telde nul seconden, waaruit ik opmaakte dat het onweer zich hemelsbreed precies boven mijn hoofd bevond. En dat vond ik eng. Heel eng.
Ik weet niet of andere mensen dit ook hebben, maar ik ben ervan overtuigd dat ‘iets’ (lees een ramp, van welke schaal dan ook), mij altijd moet hebben. Eigenlijk ben ik een slachtoffer zonder ramp. Voordat u ‘ho, ho’ zegt (want ik hoor u wel), laat me dat uitleggen. Ik ben bang voor het verliezen van controle over een situatie. Als ik in een airborne vliegtuig zit, ben ik ervan overtuigd dat ik nu juist weer ‘that luck’ moet hebben dat de piloot dronken, dan wel slaperig, dan wel in een plotselinge onverklaarbare coma is. Waardoor we neerstorten en ik niet bij de cast van tv-serie Lost hoor, maar bij die anderen die wel omkwamen bij dat vliegtuigongeluk. Als ik naar de tandarts ga -zoals recentelijk, voor het trekken van mijn verstandskies- dan weet ik zeker dat dit die ene keer is dat de verdoving niet aanslaat, de kies niet loskomt en een kiestrekpoging in het ziekenhuis ook niet lukt waardoor mijn hele onderkaak verwijderd moet worden. Zodat ik als een onderkaakloos hompje mens door het leven moet. Als ik een busreis maak naar het buitenland –wat goddank niet vaak voorkomt-, valt het me alleszins mee als we voor aankomst niet in een ravijn zijn gestort of tegen een berg zijn geknald. Of simpelweg van de weg zijn afgeraakt. Dat laatste gebeurt natuurlijk veel vaker, hoewel het veel minder episch is. En dan lig ik daar, tussen twee zware bejaarden zonder deodorant, en ik word geplet en sterf aan ‘verstikkingsdood door bejaarden’.
Ja, ik ben mij er eentje. Maar ik durf te wedden dat er nog veel meer controlfreaks zoals ik rondlopen. Heel egocentrisch ook, dat ik zo denk. Alsof het lot niets beters te doen heeft dan mij achterna zitten met rampen. “Ja, daar is ze, we gaan haar pakken!” Toch zijn er meer mensen die tijdens elk dingetje overwegen wat de mogelijke rampscenario’s zijn. En die daar dan alvast op anticiperen.
Natuurlijk overdrijf ik schromelijk met mijn situatieschetsen; wat denkt u zelf? Maar er zit een zekere kern van waarheid in. Ik haat het om in andermans handen (of de handen van God) te zijn. Ik overweeg nog steeds om een vliegbrevet, een tandheelkundig diploma en een busrijbewijs te halen. Hoewel mij dit wellicht veel tijd gaat kosten en er altijd situaties zullen zijn waarvoor ik geen cursus of lesprogramma kan volgens. Zoals onweer. Dat is toch echt iets dat ik niet over kan nemen van de hemelse krachten (al zou het wel mooi zijn). Ik was nog steeds onderweg van mijn werk naar het station. Dit gehele bovenstaande verhaal overpeinzende -de verschillende manieren waarop ik om kan komen terwijl het niet mijn eigen stomme rotschuld is- had mij binnen no time naar deel A van het perron gebracht. Geheel ongeschaad. Zoals altijd.

maandag 18 juni 2007

De waterschoentjes

“Wel verdomme,” piepte ik vanmiddag tegen een collega, terwijl ik mijn linkervoet demonstratief op het bureau gooide, “moet je nou eens zien!”
Mijn bronzen zomerpump met modieus bandje-over-de-wreef lag bewegingloos op de tafel. “Ja, wat is er met je schoen?”, vroeg de collega. Ik wees naar buiten: “Kijk dan daar, en dan weer hier”, en ik wees op mijn schoen. De collega haalde haar schouders op. “Ik begrijp je niet,” zei ze “het regent en jij hebt schoenen aan? Is dat wat je wilt zeggen?” Okee, ze vroeg er zelf om: de geschiedenis van mijn waterschoentjes. Mijn prachtige pumps met sleehak zijn pas een maand oud. Ik heb ze sinds de aankoop ongeveer eenmaal per week aan. In de afgelopen weken is er gemiddeld eenmaal per week een enorme stortbui geweest. Net op het moment dat…u voelt hem al aankomen.
Mijn schoenen trekken regen aan. Dat durf ik gerust te stellen. Me dunkt dat vier keer in een maand een goede steekproef is.
Ik vermoed een complot. Een complot tussen het KNMI en mijn schoenen. Tussen Peter Timofeeff en mijn schoenen. Een complot tussen God en mijn schoenen desnoods, maar niettegenstaande: een complot. Ik ben normaliter niet zo van het complotdenken, maar ik bedoel: vorige week werd kosten noch moeite gespaard om mijn pumps volledig doorweekt te krijgen. Ja toch? Heel Leiden stond zo ongeveer onder water, de regen hoosde door de straten, de gracht kwam bijna over de rand zoveel regen viel er. En ja hoor, het lukte. Ik kwam soppend in mijn prachtige schoentjes mijn huis binnen om ze vervolgens zuchtend op de verwarming te zetten. Na dik vijf dagen waren ze droog en trok ik ze weer aan. Het was tenslotte alweer een paar dagen mooi weer geweest? Dat zou het dan toch ook wel blijven? En ja hoor… f*cking regen.
Weer een paar dagen op de verwarming, de fohn er nog even overheen en ze konden weer aan mijn poezelige voetjes. Tot ik vandaag dus op mijn werk uit het raam keek en zag…dat het…regende…
Mijn wenkbrauwen fronsten zo ongeveer tot diep in mijn achterhoofd van frustratie. Why my shoes? What did they do to deserve this? Ik kreeg verdomme spontaan last van een aanval van slachtoffergedrag! Ik wil alle mensen in mijn omgeving waarschuwen: als ik mooie bronzen pumps aanheb met modieuze bandjes-over-de-wreef, berg u dan maar, het wordt noodweer.

zaterdag 16 juni 2007

Verveling

Ik verveel me. Herstel: ik verveel me stierlijk.
Ga wat doen? Ja hallo, zo simpel werkt het niet. Het komt namelijk niet vaak voor dat ik mij zo godsganselijk verveel en ik wil er graag even uitgebreid van genieten. Ik heb een behoorlijk druk leven, zowel werk als prive. En ik heb gewoon niet vaak tijd om me af te vragen wat ik zou doen als ik wel eens tijd zou hebben.

Nou, nu dus.

Ik weet niks.

Pffffff....

Met mijn benen over elkaar en in een oude joggingbroek, een lelijk T-shirt en doorgelopen mascara van gisteren zit ik op de bank naar een dvd-box van de tv-serie Oud Geld te kijken. Fantastische serie trouwens, maar dit terzijde. Eigenlijk moet ik opletten om het verhaal te kunnen volgen, maar dat ga ik niet doen. Zeg, ik laat me vandaag toch niet vertellen wat ik moet doen. Dat is nu net het hele concept van je vervelen, dat je nergens echt zin in hebt. Zelfs niet in het volgen van een verhaallijn van een dvd die jij toch echt zelf in de dvd-speler hebt geduwd.

Thee zetten? Nee, dan moet ik opstaan. Dat is aktie en aktie is wel het laatste waar ik nu zin in heb. Ik gaap eens uitgebreid en rek me een minuutlang uit. Eigenlijk moet ik ook de souvenirs van gisteren opruimen: een lege wijnfles, twee glazen, een schaaltje waar wat chipskruimels in liggen. Neuh. Ik voel me niet geroepen om die spullen te verplaatsen. Ook al ben ik alleen thuis, iemand anders moet het vandaag maar doen. Ik kijk de katten vragend aan. Zij gaan het ook niet doen, zie ik al.
Ik neurie wat, maar zodra ik een vaste melodie ontdek, stop ik er weer mee. Een opgelegde melodie is een vaste vorm die niet bij de vormloosheid van deze dag past. Deze dag is in weze vloeibaar en plakkerig.

Op de achtergrond praten Sonja en Kiet van Oud Geld over het opdrijven van een financiele koers. Saaaaai gesprek. Past uitstekend bij deze dag.

Zal ik de dvd uitzetten? Nee, dan moet ik opstaan. Om met Geer te spreken 'daar heb ik de kracht niet meer voor.'
Een krant lezen dan. Vereist een zekere vorm van intellect. Vandaag is dat bij mij ver te zoeken. Ik vermoed dat mijn intellect nog heerlijk in mijn bed ligt te slapen. Het draait zich nog even om. En hier zit ik dan, als een lege huls.

Jezus, wat verveel ik me. Deze baggerslechte tekst is daar wel het grootste bewijs van.

Ik denk dat ik maar even uit het raam ga staren. Nee, dat voornemen vind ik eigenlijk al weer teveel een verplichting. Ik blijf lekker apatisch in deze stoel zitten, net zolang tot me dat teveel verveelt.
En dan zie ik wel weer verder.

vrijdag 15 juni 2007

Jeugd 2

"Pap, er zitten motten in de knuffel die je mij hebt gegeven. Die beer van toen je nog een kleuter was, weetjewel?"
"Motten?!"
"Ja, die vlindertjes, die stof opeten."
"Ik weet wel wat motten zijn."
"Oh, ik dacht..."
"Jij zou op die beer passen, Maaike. Dat heb je me beloofd."
"Nee, jij hebt hem bij me achtergelaten toen jullie verhuisten, en toen je heel hard wegreed riep je nog net door het raampje: 'Pas jij goed op die beer?'"
"Echt niet."
"Echt wel. En nou zit ik met dat stomme ding en hij zit vol met motten."
"Verdomme. Motten. Verdomme."
"En er zaten allemaal zwarte stipjes op. Eitjes, of poepjes van de motjes. Ik weet niet wat het zijn."
"..."
"Ik ben er met de stofzuiger overheen gegaan, en toen gingen de stipjes wel weg, maar ik nam ook een deel van de vacht mee. Per ongeluk."
"Je hebt wat?..."
"En toen zei mama dat je die beesten alleen kunt verdelgen met heel veel stank. En toen heeft zij er een bus deo op leeggespoten. En nou is-ie kaal, maar hij stinkt ook."
"..."
"Om die stipjes weg te krjgen."
"Eitjes."
"Ik denk zelf dat het poepjes waren."
"Eitjes."
"Eitjes zijn toch niet zwart, eitjes zijn wit. Toen de kat vlooien had, zagen de poepjes van de vlooien er ook zo uit."
"Motten poepen niet."
"Ze eten toch ook jouw beer op, dan moeten ze toch ook poepen?"
"Ik zeg je: motten poepen niet."
"Maar pap, alles wat eet moet toch ook poepen? Als het een mondje heeft, heeft het toch ook een poepgatje?"
"Het zijn eitjes."
"Mag ik hem teruggeven, die beer?"
"Nee, dan zit ik met motten."
"Toe nou?"
"Dan zit ik met een kale, stinkende beer vol motten en stipjes. En jij zou op hem passen. Nou, dat heb je mooi gedaan, mijn complimenten."
"..."
"Het is nota bene mijn jeeuuugd-beeeer."
"Ja pap, nou weten we het wel."
"Mijn lieve beer, die ik al had toen ik nog een kleine papa was."
"Zeg, wanneer gaan jullie weer weg?"

Jeugd 1

Mijn ouders, die in Frankrijk wonen, zijn net langs geweest. Gezellig. Nu ze weg zijn, herinner ik me plotseling allerlei dingen uit mijn jeugd. Voorbeelden, zegt u?
Okee dan.
Mijn vader riep ons (mijn broertje en mij) vroeger met de koosnamen 'ding 1' en 'ding 2'.
'Ding 1' was ik, want ik ben de oudste. Logisch. 'Ding 2' was dus automatisch mijn broertje. Je gelooft het niet, maar wij reageerden hierop.
"Ding 1?"
"Ja pap?"
"Kan jij even de afwas voorspoelen?" (dit is van voor de afwasmachine)
"Nee"
Ja, ik zei dat we reageerden, niet dat we gehoorzaamden.
Ik reageerde ook op 'schrielsmurf' en mijn broertje reageerde ook op 'huisvarken'.

Een regelmatige bezigheid in mijn kindertijd was het spel 'de Pjurkeneter'. Wij verstopten ons en mijn vader kwam ons dan zoeken onder griezelig gefluister van de woorden: 'Ik ruik Pjurkenvlees....'. Mijn broertje en ik hadden geen idee wat Pjurken waren, maar omdat mijn vader zo vervaarlijk gromde, vermoedden wij dat wij het waren. We probeerden ons stil te houden, maar mijn broertje probeerde altijd zo hard achter mij weg te kruipen dat ik hard begon te piepen van spanning. En ja hoor... Als mijn vader ons had gevonden, kregen wij 'de kieteldood'. Nog zoiets typisch kindertijds. Kennen meer mensen de kieteldood?

Dit hele verhaal riekt naar kindermishandeling, vindt u niet? Wij werden niet geroepen met onze namen, moesten ons verstoppen en werden gekieteldood.

Ik kan u geruststellen, ik heb een prima jeugd gehad.

Wat ik WEL kindermishandeling vond: de dagelijkse scheepstoeter.
Zowel mijn broer als ik hadden in onze puberteit moeite met opstaan op de onmogelijke die de middelbare school vereist. Mijn vader had een scheepstoeter en een sadistische inslag.

You do the maths.

De legging van het eerste blog-ei.

Hmmmmmggggnnnntttt!!! (trekt moeilijk gezicht)

*(Zachte plof)*

Zo. (trekt professioneel gezicht)

Het eerste ei is gelegd.