dinsdag 31 juli 2007

Oh, daarom was-ie zo goedkoop…


Gisteren kwamen we (mijn moeder en ik) op het lumineuze idee de uitverkoop van de Franse stad Montpellier eens van dichtbij te bestuderen. Goed idee, op een allejezushete dag, vonden we zelf. Er zat een plan achter: we dachten de rest van de toeristen te ontlopen met deze omgekeerde logica vakantieshop-strategie. Want wie gaat er nou shoppen op een zonnesteekdag? Helaas, daar dacht de rest van de toeristen hetzelfde over, en dus liepen we, in de hitte, tussen drommen toeristen die ook dachten anderen te slim af te zijn. We strompelden door het enorme warenhuis Galeries Lafayette en ‘lo and behold’, daar hing plotseling een vestje. Let me rephrase that: mijn vestje. In mijn ooghoek zag ik iets glinsteren, iets gouds, met pailletten. Ekster als ik ben, struikelde ik nog net niet over alle andere vrouwen in de winkel (al duwde ik ze wel opzij) en stortte me bovenop het topje. “Mine,” zei ik op een Golemachtige Lord of the Rings-toon, “my precious…”. Ik hield het dicht tegen me aan en was niet voornemens het om welke reden dan ook los te laten. Eerst nog maar even kijken hoeveel het kostte. Ongelofelijk, het ding kostte maar tien euro! “Het kost maar tien euro!” gilde ik ter benadrukking nog maar eens tegen mijn moeder. Die instemmend maar met een twijfelende blik in haar ogen knikte. Mijn moeder is een iets meer ervaren shopper dan ik, en zij vermoedde dus een addertje onder het gras. “Mooie dingen zijn nooit voor niets zo goedkoop. Is-ie niet kapot, of zit er ergens een grote dikke vlek op?”, sprak zij met een volleerde professionele middelbare-leeftijdstem “Nee hoor!”, juichte ik, en danste rond in mijn nieuwe aanwinst. Mijn moeder was onder de indruk. Ook zij kon geen fouten ontdekken. Ik danste nog een paar maal rond mijn mams en we legden het ding daarna even op een tafeltje om het voor de laatste keer uitgebreid te bestuderen. Ik verweet mijn moeder nog maar eventjes dat ze niet zo wantrouwig moet zijn. “Wat ben je soms toch vijftigplus. Soms zijn dingen gewoon goedkoop mama, er hoeft heus niet altijd iets mee mis te zijn”, zei ik met een wijze blik in mijn ogen. Mijn moeder knikte. We gingen dus maar in de lange kassarij staan om mijn waardevolle kleinood af te rekenen. Toen we thuis waren en ik het vestje aan mijn vriend showde, zei deze na precies 0,4 seconden: “Jammer alleen van die kale plek op de achterkant.” Die wát? “Die plek bij je rug.” Zenuwachtig bestudeerde ik mijn vestje in de spiegel. Hij had gelijk. Er zat een klein, maar duidelijk kalend plekje op mijn vestje. Met frustratietranen in mijn ogen, liep ik naar mijn moeder. “Kijk dan…”, zei ik teleurgesteld. “Ojee,” zei mijn moeder, “dat we dat over het hoofd hebben gezien…” Ze stelde me met een kloeke stem gerust: “Dat overkomt de beste. Ik ga het snel in orde maken. Gelukkig heb ik ergens nog een doosje pailletjes liggen.” Diezelfde avond zat mijn moeder pailletjes op te naaien alsof ze in een illegaal naaiatelier werd afgebeuld. Ik keek vol bewondering toe, hoe mijn topje weer ‘heel’ werd. Ik heb zelf twee linkerhanden, dus ik was dankbaar dat ze haar twee rechterhanden tijdelijk voor me wilde opofferen. “Hij is klaar!”, zei ze na een dik uur trots en zwaaide met het topje. Zo. Nu kon er niets meer misgaan. We hadden hem goed onderzocht in de winkel, maar een klein productiefoutje over het hoofd gezien. Maar gelukkig was het euvel nu opgelost en kon ik met een perfect glittertopje de rest van mijn vakantie door. Het zou mijn lievelingskledingstuk worden en ik zou het alleen nog maar uit doen als ik zou slapen, verzekerde ik mijn moeder. Ik trok het meteen weer aan en paradeerde ditmaal voor de neus van mijn vader rond. “Kijk pap, ik heb een nieuw vestje met pailletjes.” Mijn vader keek bewonderend naar me, zei op zijn vaders ‘nou, nou!’ en staarde daarna met één opgetrokken wenkbrauw naar mijn oksel. “Wát…”, zei ik nors, “Wahááát?”. “Jammer van die enorm grote kale plek bij je linkeroksel”, zei hij nuchter.

maandag 30 juli 2007

Vliegen- en muggenleed


Ik zal, ben ik bang, nooit een fervent voorstander worden van de PvdD (Partij voor de Dieren). Don’t get me wrong, ik ben ervoor dat huisdieren lief behandeld moeten worden, en ik koop mijn vlees regelmatig bij de natuurwinkel bij ons op de hoek, maar twee diersoorten mogen wat mij betreft meteen de doodstraf krijgen, het liefst zo gruwelijk mogelijk: de vlieg en de mug. Uiteraard komt deze opmerking niet uit de lucht vallen. Ik ben op vakantie. Dat zegt genoeg vrees ik, en anders zal ik het nog eens spellen: ik heb last van vliegen en muggen.
Hoofstuk 1: Vliegen.
Het begint al aan het ontbijt. Nog voor ik mijn dampend croissantje neer kan zetten, nestelt zich een enorm zoemend vliegend bruinig voertuig op mijn bord. Dit ontneemt mij meteen mijn eetlust, doch, heb ik mij voorgenomen: ik zal mij niet laten kisten door een verdammte poepvlieg. Want dat zijn het altijd, die vliegen die op je croissant gaan zitten: poepvliegen. Het zijn nooit eens lieve kleine, veelkleurige elegante vliegjes, nee het zijn altijd logge zwarte beesten bij wie, bij wijze van spreken, de stront nog aan de pootjes kleeft. Geïrriteerd pluk ik aan mijn ochtenddis. Kutvliegen. De rest van de dag kamperen ze op mijn armen, benen, voorhoofd en soms zelfs op mijn ooglid. Het lijken verdomme wel een stel Duitse toeristen. Hun plek verlaten, ho maar. Telkens keren ze terug naar hetzelfde onderdeel van mijn lichaam. Op kleine vliegenhanddoekjes pakken ze wat zonnestralen mee, onder het genot van een enorme pul vliegenbier: mijn vakantiezweet. Ik stel het me ongeveer zo voor, twee dikbuikige vliegen zitten op mijn borst en voeren het volgende gesprek: “Du, Heinrich, hier ist ja een mooi plekje! Lekker rond, und met een weids uitzicht uber ganz das natuurschoon. Ich sage, pak deine handdoek und laten we hier de hele dag lekker bakken!” “Jawohl, Dieter, das ist ein gutes idee! Ich habe noch ein stukje croissant tussen mijn pootjes van zojuist.” “Hmmm, lekker, ich habe noch ein bischen poep von gestern. Lekker schranzen, wie gute Duitse toeristen!” En ze proosten de rest van de dag op hun prachtige kampeerplek en overwegen de aanschaf van een caravan.
Hoofdstuk 2: Muggen.
Als ik ‘s avonds uitgeput lig bij te komen in mijn bedje van de irritaties over de strontvliegen, hoor ik een zacht, maar daardoor niet minder doordringend gezoem in mijn oor. Meteen denk ik aan mijn vijanden van de dag. Maar nee, ditmaal is het ‘a whole different ballgame’. De mug. Waar de poepvliegen de hele dag overal irritant zichtbaar op- en aanzitten, daar zijn mijn nieuwe vijanden de guerrillastrijders van de nacht. De muggen-Vietcong. Je ziet ze niet, maar je wéét dat ze er zijn. Als je ze zoekt, houden ze zich stil, maar op het moment dat je even niet oplet zuigen ze met overgave het bloed uit je aderen. De aanval gaat vaak als volgt: “Pssst, pssst, Quân…Jij leidt rechts af, ik steek ‘m links in haar wang. Straks andersom. Stil!” “Okee Chîen, Charlie. O nee, dat is niet onze codetaal.” “Shut up, sukkel. Laat de oorlog beginnen...Zzzzzzoemmmm…” Vervolgens storten deze moedige soldaten zich in het gevecht op leven en dood. En dan sla ik halfslapend de mug van mijn rechteroor weg, terwijl aan de linkerkant op mijn wang de strijd wordt uitgevochten. Bij de muggen vallen aanzienlijk meer doden, hoewel dit meestal gepaard gaat met lange zoek- en insluittochten mijnerzijds.
Ik heb ergens wel ontzag voor muggen: ze zijn onvoorspelbaar, vaak onzichtbaar en vooral erg vindingrijk qua parasitaire plekken. Hoe vaak ik niet een muggenbult heb op een onmogelijke plek als, zoals mijn eerder genoemde wang, het bovenste kootje van mijn rechterpink, of zelfs onder mijn linker grote teen…

De prachtige evolutie (of, zo je wilt, de schepping van God, Allah, of een andere hoge pief), heeft toch een fout begaan. Ze, de vlieg en de mug, zijn allebei weliswaar een onderdeel van onze prachtige voedselketen, maar wat mij betreft mag dat ding bij dezen een stap overslaan. Er is in die hele keten geen diersoortonderdeelbeestachtigheidsvorm te bedenken waaraan de menssoort zich zo unaniem ergert. En daarom stel ik het volgende voor.
Ik richt bij de volgende verkiezingen een tegenpartij op: PtzvD. Partij tegen zoemende vakantieverpestende Dieren. Als zelfs de PvdD in de kamer kan komen, dan kunnen wij het ook. En ons eerste agendapunt: gratis citronella en vliegenplakgordijnen voor iedereen.

zaterdag 7 juli 2007

Op jacht naar een luipaard


Vandaag ben ik vruchteloos op zoek geweest naar een luipaardprintjas. That’s just my luck: ik zoek altijd naar dingen die nog niet in de winkels liggen. Koortsachtig kan ik op strooptocht gaan naar een vestje met gekleurde strasssteentjes, een lange gelaagde hippiejurk of, in dit geval dus: de leopardcoat. En verdomd als het niet waar is: zodra ik mijn zoektocht staak, hangt het -wat ‘het’ op dat moment ook is- in de winkel. Dan loopt iedereen er in! Hoe vaak ik wel niet vloekend in de H&M heb gestaan omdat er plotseling veertien meisjes met mijn topje –dat ik al vier maanden in gedachten had- richting paskamer schoven…
Je zou kunnen zeggen dat ik een voorloper ben. Iets dat ik graag wil aannemen. Je zou ook kunnen zeggen dat ik belabberde modetiming hebt, iets wat ook waar is. Want zodra mijn felbegeerde item in de winkel hangt, heb ik er geen interesse meer in. De jaren zestig trend? Ik zag hem al een tijd aankomen. Nu heb ik wel een aantal sixtiesdingen, maar eerlijk is eerlijk: tegen heug en meug. Nu is het namelijk zo ‘in’ en dan heb ik er geen zin meer in. Loop ik erbij volgens de laatste of zelfs volgende mode? Was het maar waar. Ten eerste laat mijn budget het niet toe. Ten tweede ben ik inmiddels zo vaak teleurgesteld door mode… Hoe? Vroeger, toen ik nog een jong en onschuldig maaiketje was, dacht ik bij elke modetrend ‘mezelf gevonden te hebben’. Was de Afrikaanse look in, dan vond ik de Afrikaan in mezelf en liep ik, hoofdtooi en al, over de straten van het kleine dorpje Leersum (Utrecht). Was daarentegen Japan helemaal hot, dan had ik een kimono aan. Folklore in de mode? Ik wás dan gewoon Noors. En elke keer weer met volledige overtuiging, alsof ik in een nieuwe religie was gedoken. Needless to say dat ik in het plattelandsgehucht werd gezien als de dorpsgek. En misschien wel terecht. Anyway, toen ik een tijdje model was, werd mijn mode-gen gevoed als een gans met een trechter in de bek. Zoveel fashion kon ik niet handelen. Ik droeg vaak verschillende trends door elkaar en soms was ik ook gewoon helemaal de modeweg kwijt. Toen ik daarna ging studeren, werd het een wedstrijd zoveel mogelijk te scoren voor zo weinig mogelijk geld. En nu, ja nu werkt mijn mode-gen nog wel, alleen ik doe er niet zoveel mee. Ja, af en toe zonder succes op zoek gaan naar een item dat dan dus later in alle winkels te vinden is en dan vervolgens heel hard balen als een seizoen later iedereen erin loopt. Maar verder loop ik er eigenlijk best doorsnee bij, vind ik zelf. Best saai. Nou ja, apart, maar niet supermodieus. ‘Eigen’, is denk ik het beste woord. Waarom ik dat doe? Omdat ik me tegenwoordig, meer dan vroeger, realiseer dat alle trends voorbij gaan. En dat alle trends ook weer terugkomen. En dus kan ik met de kleren in mijn kast net zo goed wachten tot ze weer helemaal hot zijn. Als zelfs leggings in de mode komen, sluit ik niets meer uit. Ben benieuwd of ik aankomende winter een twintigtal meiden met mijn luipaardjas bij de kassa zie staan.

woensdag 4 juli 2007

Romantische avond met computerlicht

Joram en Maaike zitten samen op de bank. Het is avond, de verwarming staat zachtjes aan, gedimd licht, romantisch zou je zeggen. Mwoa. Want Joram en Maaike zitten te computeren. En wel allebei op hun eigen laptop.
Joram: “Kijk, de Transformers zijn uit in Nederland. Kijk dan wat een vette trailer.”
Maaike: “Nou…” (Hoe kom ik hier onderuit?)
Joram: “Kijk dan!”
Maaike: “Oh, wacht ik moet niezen. Even in het licht kijken. Shit, lukt niet.”
(Stilte)
(Stilte)
(Stilte)
Joram: “Ik zit hier, hoor.”
Maaike: “Ik moest niezen.”
Joram: “Ja, vijf minuten geleden, ja. Kijk nouhou…Het is echt vet.”
Maaike: (staart even naar Jorams beeldscherm) “Nou, prachtig hoor. Poehpoeh.”
(Getyp)
Maaike: “Grrmmmpffff!”
Joram: “Wat is er?”
Maaike: “Ik ben hyvesblogjes van kennissen aan het lezen. Sommige zijn echt lachen man.”
Joram: “Oh.”
Maaike: “Hier, lees deze eens?”
Joram: “Even de trailer op pauze zetten” (Hoe kom ik hier onderuit?)
Maaike: “Dan moet je hem wel op stop zetten, die trailer.”
Joram: “Het knopje bleef hangen. Stomme Apple.”
Maaike: “Ja, ja. Lees dan!”
Joram (kijkt snel): “Grappig hoor. Ja. Haha.”
Maaike: “Zo snel kan jij echt niet lezen.”
Joram: Echt wel.”
Maaike: “Je lult.”
Joram: “Nee, jíj zat naar die trailer te kijken net.”
Maaike: “Ja.”
Joram: “Liegebeest.”
Maaike: ‘Echt niet, ik zat echt wel te kijken.”
Joram: “Oja, hoe heet die kleine gele Transformer dan?”
Maaike: “Eh…iets met een vlieg.”
Joram: “Tssssss…Hij heet Bumblebee.’
Maaike: “Wat. Da’s toch een vlieg.”
Joram: “Nee, da’s een bij.”
Maaike: “Whatever. “
(Getyp)
Maaike: “Hoe laat is het?”
Joram: “Half elf”
Maaike: “We zouden vanavond iets romantisch gaan doen. Tijd samen doorbrengen enzo.”
Joram: “Oja.”
Maaike: “Yep.”
(Getyp)

dinsdag 3 juli 2007

De snottampon

Ik ben niet zomaar verkouden, ik ben extreem verkouden. Mijn neus is werkelijk hysterisch geworden. Hij loopt alsof er geen morgen meer is. En een hoofdpijn dat je daarvan krijgt (van het snot ophalen), niet normaal zeg. Gisternacht was toch wel het toppunt, qua verkoudheidsgraad. Hele rivieren stroomden langs mijn kin naar beneden. Er kwam een koppijn bij die niet zou misstaan bij een fikse kater. Ik voorzag grote problemen bij het slapengaan qua loperigheid, maar was tegelijkertijd helemaal uitgeput door al het gekuch, genies en gesnotter. Moest. Slapen. What’s a girl to do? Een snotdoorweekt kussen zag ik niet zitten en evenmin een nacht wakker liggen om mijn neus op te halen. En ja, dan is er nog maar één oplossing: vouw van een stukje toiletpapier een rolletje en duw dat heel voorzichtig in je neus. Duw hem niet te ver, hij moet ook weer niet in je hersenpan eindigen. Voila, een snottampon. Met een rustig gemoed vlijde ik mij neder op mijn heerlijk bedje. Een zucht van opluchting verliet mijn zwoele lippen en voor ik het wist lag ik te snurken als de spreekwoordelijke os. Enfin, eind goed al goed, zou je zeggen. Niet als je ’s nachts moet plassen. Ik was tijdens mijn nachtelijke plas alweer helemaal vergeten dat ik een snottampon in mijn neus had geduwd en passeerde per ongeluk een spiegel. Een hard ‘wuuuuh!’ riep ik in de zwarte stille nacht. Van pure schrik. Ik greep naar mijn doorweekte vriendje en keek er een paar seconden vol verbazing naar. Wat was dit? Wat deed het in mijn neus? Kon ik meer van dit soort dingen verwachten? En zo ja: waar dan? ‘Gelukkig’ begon mijn neus alweer snel als een maleier te lopen, wat mij meteen tot de conclusie bracht: “Oja, ik (sllrrrrp) was verkouden (slllrp).” Vandaag is gisteren alweer een dag geleden en ik ben nog steeds niet minder verkouden. Pilletjes, vitamines, hele sinaasappels met schil, het mag niet baten. En met een snottampon op je werk zitten, ik weet het niet. Niet echt mijn stijl. “Slllrp.” Wel potverjanpielekes. Ik word echt gek van dat gesnotter! Mijn lichaam wil duidelijk oorlog met mij. Nou, als dat zo is, dan kan-ie ’t krijgen ook. Vanavond eet ik brocolli (vitamine A, B, C, K, E), een biefstuk met veel bloed (ijzer), en eet ik als toetje een paar kiwi’s (veeeeel vitamine C). Wat had je dan? Kom maar op! Ik kan je hebben. hoor (op de achtergrond draait ‘Eye of the tiger’ en ik doe een Rambo-achtig trainingsdansje). Wat trouwens ook altijd gebeurt als ik verkouden ben (en dan echt verkouden, niet van die mietjeshoestjes): dan raak ik mijn coördinatievermogen kwijt en word ik een beetje onsamenhangender dan anders. Kan dat? Ja, dat kan. Zowaar. Kortom, dan loop ik niet tegen vier deuren per dag aan, maar gewoon voor het gemak tegen alle deuren die ik tegenkom. En tafels, en mensen, huisdieren, gewoon eigenlijk alles wat ik tegenkom op een dag. Het is een wonder dat ik nog leef met al die auto’s, treinen en vliegtuigen en mijn verkoudheid. De laatste zin is trouwens representatief voor mijn onsamenhangendheid. Vliegtuigen kunnen mij natuurlijk helemaal niet raken als ik over straat loop. Tenzij ze neerstorten natuurlijk. En treinen alleen als ik over de rails loop. Weet je trouwens dat in grote internationale steden de rails van metro’s onder stroom staan? Dan ben je al dood voordat de trein überhaupt kan passeren. U zegt dat ik nu begin te ijlen? “Sllllrrrrp” Heu… “Slllrrrrp…snuf…rochel…” Iemand nog tips tegen mijn verkoudheid?