zondag 24 juni 2007

Avondeten is een moeilijk iets bij ons thuis

M: “Joram?”
J: “Hmmm?”
M: “Hebben we wel iets in de koelkast voor vanavond? Want het is nu vijf voor acht. De winkel gaat zo dicht.”
J: “Hoe bedoel je?”
M: “Nou, ik heb geen boodschappen gedaan, en jij ook niet.”
J: “Hmmm…”
M: “Wat bedoel je met die ‘hmmm’?”
J: “Hmmmm?”
M: “Wat je met die ‘hmmm’ bedoelde?”
J: “Welke ‘hmmm?”
M: “Twee ‘hmmm’s’ geleden.”
J: “Jezus, dat weet ik niet meer hoor.”
M: “Maar de vraag was: hebben we iets te eten?”
J: “Wát te eten?”
M: “Hoe bedoel je ‘wát te eten’? Bedoel je hetzelfde als ik of bedoel je het iets algemener?”
J: “Nou, wat wil jij eten dan, en of we dat hebben. Dus.”
M: “Ja, dat weet ik niet, dat vraag ik dus aan jou. Of we iets hebben dat jíj wilt eten, en ik óók en dat we dat dan hebben. Of niet. En dan moeten we het nu gaan halen. Want het is nu drie voor acht.”
J: “Maar ik weet toch niet wat jij wilt eten?”
M; “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Maar Jor?”
J:“Hmmm?”
M: “Iets willekeurigs bedoel ik. Iets willekeurigs is ook goed. Te eten bedoel ik.”
J: “Hmmmm…”
(J staat op en loopt naar de koelkast)
J: “We hebben wel iets.”
M: “Wat dan?”
J: “Boter.”
M: “Ja, boter…en?”
J: “Dat was het, alleen boter.”
M: “Dat is toch geen gerecht?”
J: “Nee, maar het is wel iets willekeurigs.”
M: “Daar heb je gelijk in.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Ja?”
M: “Waar heb jij zin in?”
J: “In Top Gear kijken.”
M: “Ja, maar dat kan je niet eten.”
J: “Da’s waar. Maar het is wel leuk.”
M: “Dat vind ik ook.”
J: “Vooral als ze dingen gaan testen door er met caravans op te schieten.”
M: “Ja, dat is inderdaad leuk, ja!”
J: “Hahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Hahahahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Dus.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Wat is er, Maaike?”
M: “Het is nu één voor acht en we hebben nog steeds geen eten.”
J: “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Nog dertig seconden, dat gaan we niet meer halen, toch?”
J: “Neuh…”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Zeg het eens?”
M: “Wat kun je allemaal maken met alleen boter?”

Katten moeten in de magnetron?

De bovenstaande kop doet vermoeden dat ik een hekel heb aan katten. Het tegenovergestelde is het geval. Wat zeg ik, ik héb twee katten. En ik houd zielsveel van deze pluizige, klagerige, typische, knorrende, eigenwijze dieren, Ik verwen ze, knuffel ze, ik heb ze lief. Maar soms, heel soms, zou ik ze allebei in de magnetron willen doen en hun kleine poezeschedeltjes horen ontploffen tegen het magnetrondeurtje, als een rottend ei. Twee doffe, kleine klapjes. Dacht ik dat hardop? Ze kunnen me echt het bloed onder de nagels vandaan halen. Vooral de oudste, Poema, een grijs vuilnisbak-rasje, schept er veel genoegen in om zelfs na honderd keer waarschuwenen, voor de honderd-en-éénste keer op ons aanrecht te springen en te likken aan onze to-do-afwas. Je kunt ook denken: doe dan wat eerder je afwas, maar dan zeg ik op mijn beurt: dat zijn mijn zaken. Hij dient er met zijn kleine kattetongetje vanaf te blijven, al laat ik die afwas staan tot het zelfstandig het aanrecht verlaat. Nog irritanter: mijn katten hebben een intern wekkertje, dat om half acht ‘s ochtends afgaat. Ook in het weekend. En dus sta ik elk weekend om twee over half acht met slaapogen en piekhaar ranzig voer in een bakje te prutten. Nog zo eentje: Pluizerd, onze witte stokdove benjamin, is nieuwsgierig. Erg nieuwsgierig. Als ik sta te douchen, komt madam er gezellig bij zitten. Nee, ze wil niet meedouchen, maar de deur moet wel openblijven anders schreeuwt ze moord en brand. Als ik naar het toilet ga, idem dito. Mejuffrouw springt, nog voor mijn broek op mijn knieeën hangt, op mijn schoot en begint een heel gesprek. Ik kom maar niet weg, want ze weigert ervan af te gaan. Ze is ook bijzonder nieuwsgierig naar de stofzuiger. Dat ze soms bijna in de pijp verdwijnt door de enorme zuigkracht, deert haar in het totaal niet. Ons wel. Regelmatig moeten we haar met een soort ‘plop’-geluid van het ding verwijderen. Dan is ze vacuum getrokken. Ze is ook nieuwsgierig naar vuur, getuige haar verschroeide snorharen na een al te intieme rendez-vous met onze kaarsen. Onze katten weten de vuilnisbak open te maken, ze gooien dingen om voor de kick, ze eten als je even niet oplet je hele bord leeg. Kortom, onze katten doen alles om ons te irriteren. Maar, het moet gezegd, ze hebben ze daarnaast ook hun eigen leven. Zo hebben ze een kattentelevisie, oftewel: ons raam. Vooral pluizerd mauwt tegen alles wat beweegt met een overtuiging alsof haar leven er vanaf hangt. Gezellig, maar soms horen we onze eigen televisie daardoor niet meer. Ook doen de poezenbeesten tikkertje in onze woonkamer, rennen over alles heen en laten ons vaak in het gedrang struikelen. Dan val ik bijna een tand door mijn lip omdat de kleine monstertjes net beurten hebben gewisseld en dus een draai van 180 graden maken. Okee, ze klinken nu als hellehonden, maar bedenk wel dat ik er net één van een belangrijk elektrisch snoer heb afgetrokken en de ander van de eetkamertafel heb geslagen. En dat allebei al voor de vierde keer in tien minuten. Eigenlijk zijn het soms verschrikkelijke dieren. Dus ze gaan naar het asiel? Neeeeee….Want ze zijn ook heel lief. Poema duimt. Hij steekt zijn duimpje in zijn bek en gaat dicht tegen je aanzitten. Dan hoor je het allerliefste soppende geluidje dat er bestaat. Als je in bed ligt, kruipt hij onder de dekens en valt tegen je aan in slaap. Pluizerd is een slettenbakje dat urenlang met je kan vrijdozen en altijd terugpraat als je haar iets vertelt. Bovendien volgt ze je waar je ook gaat, puur omdat ze dat gezellig vindt. Ik houd echt wel van ze en vind ze soms ontzettend vertederend. ‘s Nachts, bij nachtelijke toiletbezoeken, liggen de beestjes innig verstrengeld met hun pootjes om elkaar heen en een gelukzalige glimlach om hun kattenlipjes heerlijk te dromen. Daar kan ik uren naar kijken. Op dat soort momenten zou ik ze juist op willen vreten. De schatjes. Het zijn mijn verschrikkelijke schatjes.

zaterdag 23 juni 2007

Onweer in Hoofddorp/Het slachtoffer zonder ramp

Wolken zwanger van enorme regendruppels pakten zich vrijdag 22 juni samen boven idyllische forensenstad Hoofddorp. Het was half acht, ik was net klaar met werken (ja, ze bestaan nog, noeste werkkrachten, want met een deadline op maandag). Gerommel in de lucht en een plotselinge lichtflits. The deal was clear: onweer. En niet zo zuinig ook. Ik spoedde me naar het station. Dat is maar twee minuten lopen vanaf mijn werk. Ik zag met ouderwets verlangen uit naar een welverdiende portie Albert-Heijn-To-Go hardgeworden sushi, ofwel: mijn diner. Zodra ik het Sanoma-pand verliet, verplaatste het onweer zich van vlakbij Hoofddorp naar boven het station. De typische gedachte die dan in mij opkomt is: dat heb ik weer. Zal je zien dat in heel Hoofddorp de bliksem op zoek is naar mij. Aan alle kanten van het station leek de bliksem zijn pijlen te richten. Achter het gebouw links, achter het gebouw rechts, hoe dan ook: allemaal heel dichtbij. Dat weet ik, omdat ik de seconden tussen de bliksem en de donder telde. Mijn moeder heeft me altijd geleerd dat het onweer hemelsbreed precies het aantal kilometers weg is als dat er aan seconden tussen de bliksem en donder zitten.
Begrijpt u het nog?
Kort samengevat: als je tussen de bliksem en donder drie seconden telt, is het onweer drie kilometer van je verwijderd. In welke richting vermeldt deze truc niet, maar hoogstwaarschijnlijk kun je dat bepalen door te kijken aan welke kant het bliksemt. Vreemd genoeg mis ik dat moment altijd. Ik telde nul seconden, waaruit ik opmaakte dat het onweer zich hemelsbreed precies boven mijn hoofd bevond. En dat vond ik eng. Heel eng.
Ik weet niet of andere mensen dit ook hebben, maar ik ben ervan overtuigd dat ‘iets’ (lees een ramp, van welke schaal dan ook), mij altijd moet hebben. Eigenlijk ben ik een slachtoffer zonder ramp. Voordat u ‘ho, ho’ zegt (want ik hoor u wel), laat me dat uitleggen. Ik ben bang voor het verliezen van controle over een situatie. Als ik in een airborne vliegtuig zit, ben ik ervan overtuigd dat ik nu juist weer ‘that luck’ moet hebben dat de piloot dronken, dan wel slaperig, dan wel in een plotselinge onverklaarbare coma is. Waardoor we neerstorten en ik niet bij de cast van tv-serie Lost hoor, maar bij die anderen die wel omkwamen bij dat vliegtuigongeluk. Als ik naar de tandarts ga -zoals recentelijk, voor het trekken van mijn verstandskies- dan weet ik zeker dat dit die ene keer is dat de verdoving niet aanslaat, de kies niet loskomt en een kiestrekpoging in het ziekenhuis ook niet lukt waardoor mijn hele onderkaak verwijderd moet worden. Zodat ik als een onderkaakloos hompje mens door het leven moet. Als ik een busreis maak naar het buitenland –wat goddank niet vaak voorkomt-, valt het me alleszins mee als we voor aankomst niet in een ravijn zijn gestort of tegen een berg zijn geknald. Of simpelweg van de weg zijn afgeraakt. Dat laatste gebeurt natuurlijk veel vaker, hoewel het veel minder episch is. En dan lig ik daar, tussen twee zware bejaarden zonder deodorant, en ik word geplet en sterf aan ‘verstikkingsdood door bejaarden’.
Ja, ik ben mij er eentje. Maar ik durf te wedden dat er nog veel meer controlfreaks zoals ik rondlopen. Heel egocentrisch ook, dat ik zo denk. Alsof het lot niets beters te doen heeft dan mij achterna zitten met rampen. “Ja, daar is ze, we gaan haar pakken!” Toch zijn er meer mensen die tijdens elk dingetje overwegen wat de mogelijke rampscenario’s zijn. En die daar dan alvast op anticiperen.
Natuurlijk overdrijf ik schromelijk met mijn situatieschetsen; wat denkt u zelf? Maar er zit een zekere kern van waarheid in. Ik haat het om in andermans handen (of de handen van God) te zijn. Ik overweeg nog steeds om een vliegbrevet, een tandheelkundig diploma en een busrijbewijs te halen. Hoewel mij dit wellicht veel tijd gaat kosten en er altijd situaties zullen zijn waarvoor ik geen cursus of lesprogramma kan volgens. Zoals onweer. Dat is toch echt iets dat ik niet over kan nemen van de hemelse krachten (al zou het wel mooi zijn). Ik was nog steeds onderweg van mijn werk naar het station. Dit gehele bovenstaande verhaal overpeinzende -de verschillende manieren waarop ik om kan komen terwijl het niet mijn eigen stomme rotschuld is- had mij binnen no time naar deel A van het perron gebracht. Geheel ongeschaad. Zoals altijd.

maandag 18 juni 2007

De waterschoentjes

“Wel verdomme,” piepte ik vanmiddag tegen een collega, terwijl ik mijn linkervoet demonstratief op het bureau gooide, “moet je nou eens zien!”
Mijn bronzen zomerpump met modieus bandje-over-de-wreef lag bewegingloos op de tafel. “Ja, wat is er met je schoen?”, vroeg de collega. Ik wees naar buiten: “Kijk dan daar, en dan weer hier”, en ik wees op mijn schoen. De collega haalde haar schouders op. “Ik begrijp je niet,” zei ze “het regent en jij hebt schoenen aan? Is dat wat je wilt zeggen?” Okee, ze vroeg er zelf om: de geschiedenis van mijn waterschoentjes. Mijn prachtige pumps met sleehak zijn pas een maand oud. Ik heb ze sinds de aankoop ongeveer eenmaal per week aan. In de afgelopen weken is er gemiddeld eenmaal per week een enorme stortbui geweest. Net op het moment dat…u voelt hem al aankomen.
Mijn schoenen trekken regen aan. Dat durf ik gerust te stellen. Me dunkt dat vier keer in een maand een goede steekproef is.
Ik vermoed een complot. Een complot tussen het KNMI en mijn schoenen. Tussen Peter Timofeeff en mijn schoenen. Een complot tussen God en mijn schoenen desnoods, maar niettegenstaande: een complot. Ik ben normaliter niet zo van het complotdenken, maar ik bedoel: vorige week werd kosten noch moeite gespaard om mijn pumps volledig doorweekt te krijgen. Ja toch? Heel Leiden stond zo ongeveer onder water, de regen hoosde door de straten, de gracht kwam bijna over de rand zoveel regen viel er. En ja hoor, het lukte. Ik kwam soppend in mijn prachtige schoentjes mijn huis binnen om ze vervolgens zuchtend op de verwarming te zetten. Na dik vijf dagen waren ze droog en trok ik ze weer aan. Het was tenslotte alweer een paar dagen mooi weer geweest? Dat zou het dan toch ook wel blijven? En ja hoor… f*cking regen.
Weer een paar dagen op de verwarming, de fohn er nog even overheen en ze konden weer aan mijn poezelige voetjes. Tot ik vandaag dus op mijn werk uit het raam keek en zag…dat het…regende…
Mijn wenkbrauwen fronsten zo ongeveer tot diep in mijn achterhoofd van frustratie. Why my shoes? What did they do to deserve this? Ik kreeg verdomme spontaan last van een aanval van slachtoffergedrag! Ik wil alle mensen in mijn omgeving waarschuwen: als ik mooie bronzen pumps aanheb met modieuze bandjes-over-de-wreef, berg u dan maar, het wordt noodweer.

zaterdag 16 juni 2007

Verveling

Ik verveel me. Herstel: ik verveel me stierlijk.
Ga wat doen? Ja hallo, zo simpel werkt het niet. Het komt namelijk niet vaak voor dat ik mij zo godsganselijk verveel en ik wil er graag even uitgebreid van genieten. Ik heb een behoorlijk druk leven, zowel werk als prive. En ik heb gewoon niet vaak tijd om me af te vragen wat ik zou doen als ik wel eens tijd zou hebben.

Nou, nu dus.

Ik weet niks.

Pffffff....

Met mijn benen over elkaar en in een oude joggingbroek, een lelijk T-shirt en doorgelopen mascara van gisteren zit ik op de bank naar een dvd-box van de tv-serie Oud Geld te kijken. Fantastische serie trouwens, maar dit terzijde. Eigenlijk moet ik opletten om het verhaal te kunnen volgen, maar dat ga ik niet doen. Zeg, ik laat me vandaag toch niet vertellen wat ik moet doen. Dat is nu net het hele concept van je vervelen, dat je nergens echt zin in hebt. Zelfs niet in het volgen van een verhaallijn van een dvd die jij toch echt zelf in de dvd-speler hebt geduwd.

Thee zetten? Nee, dan moet ik opstaan. Dat is aktie en aktie is wel het laatste waar ik nu zin in heb. Ik gaap eens uitgebreid en rek me een minuutlang uit. Eigenlijk moet ik ook de souvenirs van gisteren opruimen: een lege wijnfles, twee glazen, een schaaltje waar wat chipskruimels in liggen. Neuh. Ik voel me niet geroepen om die spullen te verplaatsen. Ook al ben ik alleen thuis, iemand anders moet het vandaag maar doen. Ik kijk de katten vragend aan. Zij gaan het ook niet doen, zie ik al.
Ik neurie wat, maar zodra ik een vaste melodie ontdek, stop ik er weer mee. Een opgelegde melodie is een vaste vorm die niet bij de vormloosheid van deze dag past. Deze dag is in weze vloeibaar en plakkerig.

Op de achtergrond praten Sonja en Kiet van Oud Geld over het opdrijven van een financiele koers. Saaaaai gesprek. Past uitstekend bij deze dag.

Zal ik de dvd uitzetten? Nee, dan moet ik opstaan. Om met Geer te spreken 'daar heb ik de kracht niet meer voor.'
Een krant lezen dan. Vereist een zekere vorm van intellect. Vandaag is dat bij mij ver te zoeken. Ik vermoed dat mijn intellect nog heerlijk in mijn bed ligt te slapen. Het draait zich nog even om. En hier zit ik dan, als een lege huls.

Jezus, wat verveel ik me. Deze baggerslechte tekst is daar wel het grootste bewijs van.

Ik denk dat ik maar even uit het raam ga staren. Nee, dat voornemen vind ik eigenlijk al weer teveel een verplichting. Ik blijf lekker apatisch in deze stoel zitten, net zolang tot me dat teveel verveelt.
En dan zie ik wel weer verder.

vrijdag 15 juni 2007

Jeugd 2

"Pap, er zitten motten in de knuffel die je mij hebt gegeven. Die beer van toen je nog een kleuter was, weetjewel?"
"Motten?!"
"Ja, die vlindertjes, die stof opeten."
"Ik weet wel wat motten zijn."
"Oh, ik dacht..."
"Jij zou op die beer passen, Maaike. Dat heb je me beloofd."
"Nee, jij hebt hem bij me achtergelaten toen jullie verhuisten, en toen je heel hard wegreed riep je nog net door het raampje: 'Pas jij goed op die beer?'"
"Echt niet."
"Echt wel. En nou zit ik met dat stomme ding en hij zit vol met motten."
"Verdomme. Motten. Verdomme."
"En er zaten allemaal zwarte stipjes op. Eitjes, of poepjes van de motjes. Ik weet niet wat het zijn."
"..."
"Ik ben er met de stofzuiger overheen gegaan, en toen gingen de stipjes wel weg, maar ik nam ook een deel van de vacht mee. Per ongeluk."
"Je hebt wat?..."
"En toen zei mama dat je die beesten alleen kunt verdelgen met heel veel stank. En toen heeft zij er een bus deo op leeggespoten. En nou is-ie kaal, maar hij stinkt ook."
"..."
"Om die stipjes weg te krjgen."
"Eitjes."
"Ik denk zelf dat het poepjes waren."
"Eitjes."
"Eitjes zijn toch niet zwart, eitjes zijn wit. Toen de kat vlooien had, zagen de poepjes van de vlooien er ook zo uit."
"Motten poepen niet."
"Ze eten toch ook jouw beer op, dan moeten ze toch ook poepen?"
"Ik zeg je: motten poepen niet."
"Maar pap, alles wat eet moet toch ook poepen? Als het een mondje heeft, heeft het toch ook een poepgatje?"
"Het zijn eitjes."
"Mag ik hem teruggeven, die beer?"
"Nee, dan zit ik met motten."
"Toe nou?"
"Dan zit ik met een kale, stinkende beer vol motten en stipjes. En jij zou op hem passen. Nou, dat heb je mooi gedaan, mijn complimenten."
"..."
"Het is nota bene mijn jeeuuugd-beeeer."
"Ja pap, nou weten we het wel."
"Mijn lieve beer, die ik al had toen ik nog een kleine papa was."
"Zeg, wanneer gaan jullie weer weg?"

Jeugd 1

Mijn ouders, die in Frankrijk wonen, zijn net langs geweest. Gezellig. Nu ze weg zijn, herinner ik me plotseling allerlei dingen uit mijn jeugd. Voorbeelden, zegt u?
Okee dan.
Mijn vader riep ons (mijn broertje en mij) vroeger met de koosnamen 'ding 1' en 'ding 2'.
'Ding 1' was ik, want ik ben de oudste. Logisch. 'Ding 2' was dus automatisch mijn broertje. Je gelooft het niet, maar wij reageerden hierop.
"Ding 1?"
"Ja pap?"
"Kan jij even de afwas voorspoelen?" (dit is van voor de afwasmachine)
"Nee"
Ja, ik zei dat we reageerden, niet dat we gehoorzaamden.
Ik reageerde ook op 'schrielsmurf' en mijn broertje reageerde ook op 'huisvarken'.

Een regelmatige bezigheid in mijn kindertijd was het spel 'de Pjurkeneter'. Wij verstopten ons en mijn vader kwam ons dan zoeken onder griezelig gefluister van de woorden: 'Ik ruik Pjurkenvlees....'. Mijn broertje en ik hadden geen idee wat Pjurken waren, maar omdat mijn vader zo vervaarlijk gromde, vermoedden wij dat wij het waren. We probeerden ons stil te houden, maar mijn broertje probeerde altijd zo hard achter mij weg te kruipen dat ik hard begon te piepen van spanning. En ja hoor... Als mijn vader ons had gevonden, kregen wij 'de kieteldood'. Nog zoiets typisch kindertijds. Kennen meer mensen de kieteldood?

Dit hele verhaal riekt naar kindermishandeling, vindt u niet? Wij werden niet geroepen met onze namen, moesten ons verstoppen en werden gekieteldood.

Ik kan u geruststellen, ik heb een prima jeugd gehad.

Wat ik WEL kindermishandeling vond: de dagelijkse scheepstoeter.
Zowel mijn broer als ik hadden in onze puberteit moeite met opstaan op de onmogelijke die de middelbare school vereist. Mijn vader had een scheepstoeter en een sadistische inslag.

You do the maths.

De legging van het eerste blog-ei.

Hmmmmmggggnnnntttt!!! (trekt moeilijk gezicht)

*(Zachte plof)*

Zo. (trekt professioneel gezicht)

Het eerste ei is gelegd.