
J: “Waarom moet ik altijd de kattenbak doen?”
M: “Omdat jij dat veel beter kunt dan ik.”
J: “Echt niet. Wat een onzin. Alsof je daar een bepaald talent voor moet hebben.”
M: “Jij doet het eh… heel elegant.”
J: “Wat een gelul zeg. Wat is de echte reden, Maaike? Dat jij altijd net ‘weg bent’ als de kattenbak gedaan moet worden?”
M: “Ik haat de kattenbak doen.”
J: “Ik toch ook…”
M: “Vast niet zoveel als ik.”
J: “Jij wilde katten.”
M: “Ja, maar ik wist toch niet dat ze zoveel poepten.”
J: “Je ouders hadden toch ook een kat?”
M: “Ja, maar dat was een buitenkat. Die poepte alleen in de tuin van de buren.”
(Stilte…)
M: “Kunnen die katten niet hun eigen bak verschonen? Het zou een mooie boel zijn als ik ook zo met mijn toilet om zou gaan. Dat ik gewoon niet zou doortrekken en maar zou wachten tot iemand zo vriendelijk zou zijn mijn poep op te ruimen.”
J: “Maaike, het zijn KATTEN.”
M: “So? Dat is geen excuus.”
J: “Katten hebben geen handjes.”
M: “Ja, en dus?”
J: “Dus kunnen ze geen kattenbak optillen, geen vuilniszak openhouden en geen nieuw gruis in de bak storten.”
M: “Grmpf.”
J: “Maaike, doe ‘s even normaal.”
M: “Grmpf.”
J: “Wil je dat we de katten wegdoen?”
M: “Neeeeee! De katten zijn lieve vriendjes om mee te knuffelen!”
J: “Geen probleem hoor, we kunnen ze zo naar het asiel brengen.”
M: “Neeeee! Doe niet zo eng!”
J: “Dan hoeven we nooit meer kattenbakken te verschonen, geen duur kattenvoer meer te kopen voor de blaasafwijking van Poema, Pluizerd niet meer rustig te benaderen omdat ze doof is en anders anderhalve meter de lucht inspringt van schrik…”
M: “Neeeeeee!”
J: “Wacht, ik ga de auto wel even halen.”
M: “Joram, doe niet zo eh-eh-eng!!!! Ik moet zo huilen!”
J: “Tja, als jij het zo verschrikkelijk vreselijk haat om de kattenbak te verschonen en ik ook…”
M: “Nee, nee, zo erg is het niet. Poema, kom eens hier, geef mama eens een knuffel. Jij bent een lieve poes, hoor. Je poept wel veel, maar je bent wel heel lief. Je poep hef je op met je liefheid.”
J: “Maar ja, die kattenbak he, Poema. Dat kost je de kop, jongen.”
M: “Nee, Jor, ik ga wel, ik doe het wel.”
(M staat op en gaat kattenbak verschonen)
M(tegen katten): “Kom maar beestjes, ik offer me met alle liefde op hoor, ik hou zoooo veel van jullie!”
J (tegen zichzelf): “Gnagnagna… Wat zal ik vanmiddag eens verzinnen om haar de afwas te laten doen?”