M: “Joram?”
J: “Hmmm?”
M: “Hebben we wel iets in de koelkast voor vanavond? Want het is nu vijf voor acht. De winkel gaat zo dicht.”
J: “Hoe bedoel je?”
M: “Nou, ik heb geen boodschappen gedaan, en jij ook niet.”
J: “Hmmm…”
M: “Wat bedoel je met die ‘hmmm’?”
J: “Hmmmm?”
M: “Wat je met die ‘hmmm’ bedoelde?”
J: “Welke ‘hmmm?”
M: “Twee ‘hmmm’s’ geleden.”
J: “Jezus, dat weet ik niet meer hoor.”
M: “Maar de vraag was: hebben we iets te eten?”
J: “Wát te eten?”
M: “Hoe bedoel je ‘wát te eten’? Bedoel je hetzelfde als ik of bedoel je het iets algemener?”
J: “Nou, wat wil jij eten dan, en of we dat hebben. Dus.”
M: “Ja, dat weet ik niet, dat vraag ik dus aan jou. Of we iets hebben dat jíj wilt eten, en ik óók en dat we dat dan hebben. Of niet. En dan moeten we het nu gaan halen. Want het is nu drie voor acht.”
J: “Maar ik weet toch niet wat jij wilt eten?”
M; “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Maar Jor?”
J:“Hmmm?”
M: “Iets willekeurigs bedoel ik. Iets willekeurigs is ook goed. Te eten bedoel ik.”
J: “Hmmmm…”
(J staat op en loopt naar de koelkast)
J: “We hebben wel iets.”
M: “Wat dan?”
J: “Boter.”
M: “Ja, boter…en?”
J: “Dat was het, alleen boter.”
M: “Dat is toch geen gerecht?”
J: “Nee, maar het is wel iets willekeurigs.”
M: “Daar heb je gelijk in.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Ja?”
M: “Waar heb jij zin in?”
J: “In Top Gear kijken.”
M: “Ja, maar dat kan je niet eten.”
J: “Da’s waar. Maar het is wel leuk.”
M: “Dat vind ik ook.”
J: “Vooral als ze dingen gaan testen door er met caravans op te schieten.”
M: “Ja, dat is inderdaad leuk, ja!”
J: “Hahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Hahahahahaha.”
M: “Hahahahahaha.”
J: “Dus.”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Wat is er, Maaike?”
M: “Het is nu één voor acht en we hebben nog steeds geen eten.”
J: “Nee, da’s waar.”
(Stilte)
M: “Nog dertig seconden, dat gaan we niet meer halen, toch?”
J: “Neuh…”
(Stilte)
M: “Jor?”
J: “Zeg het eens?”
M: “Wat kun je allemaal maken met alleen boter?”
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten