
Gisteren kwamen we (mijn moeder en ik) op het lumineuze idee de uitverkoop van de Franse stad Montpellier eens van dichtbij te bestuderen. Goed idee, op een allejezushete dag, vonden we zelf. Er zat een plan achter: we dachten de rest van de toeristen te ontlopen met deze omgekeerde logica vakantieshop-strategie. Want wie gaat er nou shoppen op een zonnesteekdag? Helaas, daar dacht de rest van de toeristen hetzelfde over, en dus liepen we, in de hitte, tussen drommen toeristen die ook dachten anderen te slim af te zijn. We strompelden door het enorme warenhuis Galeries Lafayette en ‘lo and behold’, daar hing plotseling een vestje. Let me rephrase that: mijn vestje. In mijn ooghoek zag ik iets glinsteren, iets gouds, met pailletten. Ekster als ik ben, struikelde ik nog net niet over alle andere vrouwen in de winkel (al duwde ik ze wel opzij) en stortte me bovenop het topje. “Mine,” zei ik op een Golemachtige Lord of the Rings-toon, “my precious…”. Ik hield het dicht tegen me aan en was niet voornemens het om welke reden dan ook los te laten. Eerst nog maar even kijken hoeveel het kostte. Ongelofelijk, het ding kostte maar tien euro! “Het kost maar tien euro!” gilde ik ter benadrukking nog maar eens tegen mijn moeder. Die instemmend maar met een twijfelende blik in haar ogen knikte. Mijn moeder is een iets meer ervaren shopper dan ik, en zij vermoedde dus een addertje onder het gras. “Mooie dingen zijn nooit voor niets zo goedkoop. Is-ie niet kapot, of zit er ergens een grote dikke vlek op?”, sprak zij met een volleerde professionele middelbare-leeftijdstem “Nee hoor!”, juichte ik, en danste rond in mijn nieuwe aanwinst. Mijn moeder was onder de indruk. Ook zij kon geen fouten ontdekken. Ik danste nog een paar maal rond mijn mams en we legden het ding daarna even op een tafeltje om het voor de laatste keer uitgebreid te bestuderen. Ik verweet mijn moeder nog maar eventjes dat ze niet zo wantrouwig moet zijn. “Wat ben je soms toch vijftigplus. Soms zijn dingen gewoon goedkoop mama, er hoeft heus niet altijd iets mee mis te zijn”, zei ik met een wijze blik in mijn ogen. Mijn moeder knikte. We gingen dus maar in de lange kassarij staan om mijn waardevolle kleinood af te rekenen. Toen we thuis waren en ik het vestje aan mijn vriend showde, zei deze na precies 0,4 seconden: “Jammer alleen van die kale plek op de achterkant.” Die wát? “Die plek bij je rug.” Zenuwachtig bestudeerde ik mijn vestje in de spiegel. Hij had gelijk. Er zat een klein, maar duidelijk kalend plekje op mijn vestje. Met frustratietranen in mijn ogen, liep ik naar mijn moeder. “Kijk dan…”, zei ik teleurgesteld. “Ojee,” zei mijn moeder, “dat we dat over het hoofd hebben gezien…” Ze stelde me met een kloeke stem gerust: “Dat overkomt de beste. Ik ga het snel in orde maken. Gelukkig heb ik ergens nog een doosje pailletjes liggen.” Diezelfde avond zat mijn moeder pailletjes op te naaien alsof ze in een illegaal naaiatelier werd afgebeuld. Ik keek vol bewondering toe, hoe mijn topje weer ‘heel’ werd. Ik heb zelf twee linkerhanden, dus ik was dankbaar dat ze haar twee rechterhanden tijdelijk voor me wilde opofferen. “Hij is klaar!”, zei ze na een dik uur trots en zwaaide met het topje. Zo. Nu kon er niets meer misgaan. We hadden hem goed onderzocht in de winkel, maar een klein productiefoutje over het hoofd gezien. Maar gelukkig was het euvel nu opgelost en kon ik met een perfect glittertopje de rest van mijn vakantie door. Het zou mijn lievelingskledingstuk worden en ik zou het alleen nog maar uit doen als ik zou slapen, verzekerde ik mijn moeder. Ik trok het meteen weer aan en paradeerde ditmaal voor de neus van mijn vader rond. “Kijk pap, ik heb een nieuw vestje met pailletjes.” Mijn vader keek bewonderend naar me, zei op zijn vaders ‘nou, nou!’ en staarde daarna met één opgetrokken wenkbrauw naar mijn oksel. “Wát…”, zei ik nors, “Wahááát?”. “Jammer van die enorm grote kale plek bij je linkeroksel”, zei hij nuchter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten